Uitspraak
22.2136 WAO
OVERWEGINGEN
.In geschil is of aanleiding bestaat een korting over de maand november 2020, op de WAO-uitkering van appellante toe te passen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds 2001 een WAO-uitkering en verricht daarnaast werkzaamheden. In november 2020 ontving zij een bruto bedrag van €3.510,44 voor niet genoten vakantiedagen van haar voormalige werkgever. Het UWV stelde vast dat zij daardoor te veel voorschot had ontvangen en vorderde €868,69 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de vergoeding als inkomen uit arbeid geldt volgens artikel 44 WAO Pro.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de uitbetaling van vakantiedagen niet verrekend mocht worden met haar WAO-uitkering, omdat dit haar rechten onder artikel 7:641 BW Pro zou doorkruisen en zij geen extra inkomsten had genoten. Ook stelde zij zich op het standpunt dat zij ongelijk werd behandeld ten opzichte van werknemers zonder uitkering.
De Raad oordeelde dat artikel 44 WAO Pro dwingendrechtelijk is en alle feitelijk betaalde arbeidsinkomsten moeten worden betrokken bij de kortingsberekening. De aangevoerde bijzondere omstandigheden en het beroep op het gelijkheidsbeginsel slagen niet. Er is geen sprake van dringende redenen om terugvordering achterwege te laten. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante het te veel ontvangen WAO-voorschot moet terugbetalen wegens uitbetaling van niet genoten vakantiedagen.