ECLI:NL:RBDHA:2024:20810
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting naar Gambia
De minister heeft op 5 augustus 2024 aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel al tweemaal eerder getoetst en oordeelde toen dat deze rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 11 oktober 2024.
In de huidige procedure betoogt eiser dat er geen zicht is op uitzetting omdat de Gambiaanse autoriteiten nog geen laissez-passer hebben afgegeven, ondanks een aanvraag op 29 maart 2024. Tevens stelt hij dat een lichter middel volstaat en dat hij bereid is zich aan een meldplicht te houden. De minister overlegt een voortgangsrapportage waaruit blijkt dat de nationaliteit en identiteit van eiser op 5 december 2024 zijn bevestigd en dat inmiddels een vlucht is aangevraagd.
De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt en dat de minister voldoende voortvarend handelt, onder meer door tweemaal te rappelleren op de lp-aanvraag en het voeren van vertrekgesprekken. De rechtbank bevestigt dat een lichter middel niet volstaat, mede omdat eiser heeft verklaard niet terug te willen keren naar Gambia.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.