Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser V-nummer: [V nummer]
Inleiding
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse nationaliteit, werd op 30 december 2023 in vreemdelingenbewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser betoogde dat voorafgaand aan deze bewaring toestemming van het Openbaar Ministerie (OM) had moeten worden gevraagd, zeker omdat hij daarvoor tien dagen in strafrechtelijke detentie had gezeten. De rechtbank oordeelde dat op grond van recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voorafgaande toestemming van het OM voor inbewaringstelling niet vereist is, tenzij de uitzettingsdatum al bekend is tijdens de strafrechtelijke detentie, wat hier niet het geval was.
De rechtbank vond dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld door op 2 januari 2024 alsnog toestemming van het OM te vragen, die dezelfde dag werd verleend. De zwaarwegende gronden voor bewaring, waaronder het niet opvolgen van een intrekkingsbesluit van het verblijfsrecht en het zich onttrekken aan toezicht, waren feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser had kennis van zijn vertrekplicht, zoals blijkt uit het uitreikingsblad en proces-verbaal met Poolse tolk.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en dat het beroep ongegrond is. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.