ECLI:NL:RBDHA:2024:2091
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde woning in Den Haag
Belanghebbende stelde bezwaar in tegen de WOZ-waarde van zijn woning in Den Haag, vastgesteld op €596.000 per 1 januari 2021. Hij vorderde een lagere waarde van €569.000. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede door het gebruik van vergelijkingsobjecten in dezelfde wijk en rekening houdend met de matige staat van de woning.
Belanghebbende voerde aan dat de perceelsgrootte ondoelmatig zou zijn en dat er onvoldoende stukken waren verstrekt om de vaststelling te controleren. De rechtbank stelde vast dat het taxatieverslag met referentiewoningen was toegezonden en dat de heffingsambtenaar niet verplicht was om bepaalde waarderingsgegevens te verstrekken. Er was geen sprake van schending van het motiveringsbeginsel of andere rechtsbeginselen.
Het verzoek tot uitstel van de zitting wegens ziekte van de gemachtigde werd afgewezen. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aan zijn verplichtingen had voldaan en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €596.000 wordt ongegrond verklaard.