Eiser diende op 20 juni 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, besloot niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zes maanden, verlengd met negen maanden, op deze aanvraag. Eiser stelde verweerder op 12 oktober 2024 in gebreke en stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet binnen de verlengde termijn heeft beslist. De rechtbank legt een termijn op van zestien weken, verdeeld in twee fasen: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet verweerder een nader gehoor afnemen, en binnen acht weken daarna moet een besluit worden genomen.
Daarnaast wordt verweerder een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. Omdat eiser een professionele gemachtigde inschakelde, krijgt hij een proceskostenvergoeding van €437,50 toegekend. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt op 2 december 2024.