ECLI:NL:RBDHA:2024:20940

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2024
Publicatiedatum
13 december 2024
Zaaknummer
NL24.41444
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 29 lid 2 DublinverordeningAlgemene wet bestuursrechtVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen verlenging overdrachtstermijn aan Bulgarije op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft op 11 december 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser bezwaar maakte tegen de verlenging van de overdrachtstermijn aan Bulgarije. Verweerder had op 15 oktober 2024 de overdrachtstermijn verlengd met achttien maanden omdat eiser volgens hem ondergedoken was. Eiser stelde dat hij in een opvanglocatie verbleef en dus niet ondergedoken was.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk in de opvanglocatie verbleef en dat verweerder terecht had geconcludeerd dat eiser doelbewust buiten bereik van de autoriteiten was gebleven om overdracht te voorkomen. Eiser was niet verschenen bij het vertrekgesprek en had zonder kennisgeving de opvanglocatie verlaten.

De rechtbank wees het beroep af en verklaarde het ongegrond. Hiermee blijft het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan zonder zitting op basis van de ingediende stukken.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn aan Bulgarije wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41444

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Alkir),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. van Hout).

Inleiding

Met het besluit van 15 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de overdrachtstermijn voor de overdracht van eiser aan Bulgarije tot achttien maanden verlengd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de verlenging van de overdrachtstermijn in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de overdrachtstermijn verlengd met achttien maanden op grond van artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening [2] omdat eiser is ondergedoken.
Het standpunt van eiser
4. Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit. Hij stelt dat uit een e-mail van het COa [3] van 23 oktober 2024 blijkt dat hij in het [AZC] verblijft in de vrijheidsbeperkende locatie. Hij is dus niet ondergedoken en de overdrachtstermijn is daarom ten onrechte verlengd.
Het oordeel van de rechtbank
5. Verweerder stelt zich in het verweerschrift primair op het standpunt dat eiser geen procesbelang meer heeft, omdat hij op 29 oktober 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser op 7 november 2024 medegedeeld dat hij nog contact heeft met eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Gelet op de uitspraken van de Afdeling [4] van 1 juli 2024 [5] en 9 oktober 2024 [6] heeft eiser daarom nog steeds belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
6. Uit het verweerschrift blijkt dat eiser op 4 november 2024 zou worden overgedragen aan Bulgarije. Op 15 oktober 2024 is eiser niet op het vertrekgesprek verschenen. Vervolgens heeft een kamercontrole plaatsgevonden, waarbij geen persoonlijke spullen van eiser werden aangetroffen. Hij heeft de opvanglocatie verlaten zonder verweerder op de hoogte te stellen van zijn nieuwe verblijfplaats. Verweerder heeft op basis daarvan niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser er doelbewust voor heeft gezorgd dat hij buiten het bereik was van verweerder om de overdracht te voorkomen.
7. Eiser heeft met de overgelegde e-mail niet aannemelijk gemaakt dat hij van 15 oktober 2024 tot 18 oktober 2024 in een opvanglocatie heeft verbleven of dat verweerder op de hoogte was van zijn verblijfplaats. Hij heeft geen geldige reden gegeven voor het nalaten de autoriteiten in te lichten van zijn vertrek of het niet verschijnen bij de meldplicht. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geconcludeerd dat hij doelbewust buiten het bereik is gebleven van de autoriteiten om zijn overdracht te voorkomen. Dat hij zich op 18 oktober 2024 weer heeft gemeld doet hier niet aan af. Dit volgt ook uit een uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2024. [7] Eiser heeft verder niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat hij niet de bedoeling had om uit het zicht van de autoriteiten te blijven. Gelet hierop is de overdrachtstermijn niet ten onrechte verlengd met toepassing van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 december 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.