ECLI:NL:RBDHA:2024:21135

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 oktober 2024
Publicatiedatum
16 december 2024
Zaaknummer
AWB 24/11805
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting op grond van Unierecht

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 25 oktober 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin verzoeker een voorlopige voorziening vroeg tegen zijn uitzetting uit Nederland. De minister van Asiel en Migratie had het verblijfsrecht van verzoeker op grond van het Unierecht beëindigd en hem ongewenst verklaard. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om uitstel van uitzetting totdat op het bezwaar was beslist.

De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling van griffierecht vanwege betalingsonmacht. De minister verzette zich niet tegen het verzoek om voorlopige voorziening. Gelet op de belangen en de spoedeisendheid werd het verzoek toegewezen, waardoor de uitzetting werd verboden tot vier weken na de beslissing op het bezwaar.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker, vastgesteld op een vast bedrag van € 875,- voor de ingediende proceshandeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt verboden tot vier weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/11805

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.G.C. van Riet),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, die ertoe strekt dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het bezwaar is beslist.
1.1.
Met het besluit van 12 juli 2024 heeft de minister het verblijfsrecht van verzoeker op grond van het Unierecht beëindigd en hem ongewenst verklaard.
1.2.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Ten aanzien van het griffierecht
2. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank stelt op basis van de bij het verzoek overgelegde eigen verklaring over de afwezigheid van vermogen en inkomen vast dat verzoeker aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoet. Verzoeker hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening
3. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan onder meer als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De minister heeft in een brief van 16 oktober 2024 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.
5. Nu partijen het er over eens zijn dat van uitzetting van verzoeker behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en verbiedt de uitzetting tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 875,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- verbiedt de minister verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.