ECLI:NL:RBDHA:2024:21226
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek hogere schadevergoeding afgewezen
De minister legde op 14 november 2024 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000, die dezelfde dag weer werd opgeheven nadat bleek dat eiser mogelijk recht op verblijf in Italië had. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht om een hogere schadevergoeding dan de door de minister aangeboden €100,00 en proceskostenvergoeding.
De rechtbank behandelde het beroep op 26 november 2024. De minister bood onvoorwaardelijk een schadevergoeding van €100,00 en proceskosten van €875,00 aan, waarop eiser het beroep handhaafde vanwege onvrede over de hoogte van de vergoeding. De rechtbank oordeelde dat het beroep zich uitsluitend richtte op de hoogte van de schadevergoeding.
De rechtbank overwoog dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was, maar dat de aangeboden vergoeding overeenkomt met het normbedrag voor immateriële schade door onterechte detentie. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat hij meer schade had geleden of dat er bijzondere omstandigheden waren die een hogere vergoeding rechtvaardigen.
De rechtbank wees het beroep af en stelde dat de minister niet gehouden is tot betaling van een hogere schadevergoeding of aanvullende proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter G.A. van der Straaten en griffier D.M. Abrahams op 10 december 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en het verzoek om een hogere schadevergoeding worden ongegrond verklaard.