ECLI:NL:RBDHA:2024:21226

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2024
Publicatiedatum
16 december 2024
Zaaknummer
NL24.44973
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek hogere schadevergoeding afgewezen

De minister legde op 14 november 2024 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000, die dezelfde dag weer werd opgeheven nadat bleek dat eiser mogelijk recht op verblijf in Italië had. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht om een hogere schadevergoeding dan de door de minister aangeboden €100,00 en proceskostenvergoeding.

De rechtbank behandelde het beroep op 26 november 2024. De minister bood onvoorwaardelijk een schadevergoeding van €100,00 en proceskosten van €875,00 aan, waarop eiser het beroep handhaafde vanwege onvrede over de hoogte van de vergoeding. De rechtbank oordeelde dat het beroep zich uitsluitend richtte op de hoogte van de schadevergoeding.

De rechtbank overwoog dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was, maar dat de aangeboden vergoeding overeenkomt met het normbedrag voor immateriële schade door onterechte detentie. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat hij meer schade had geleden of dat er bijzondere omstandigheden waren die een hogere vergoeding rechtvaardigen.

De rechtbank wees het beroep af en stelde dat de minister niet gehouden is tot betaling van een hogere schadevergoeding of aanvullende proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter G.A. van der Straaten en griffier D.M. Abrahams op 10 december 2024.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en het verzoek om een hogere schadevergoeding worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44973

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 14 november 2024 de maatregel van bewaring ook weer opgeheven.
Op 25 november 2024 heeft de minister aan de gemachtigde van eiser bericht bereid te zijn de schade van eiser te vergoeden tot een bedrag van € 100,00 en de proceskosten van de gemachtigde van € 875,00. In reactie hierop heeft de gemachtigde bericht dat hij het beroep handhaaft omdat hij het niet eens is met de hoogte van de aangeboden schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2024 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Inleiding
2. Eiser is op 13 november 2024 strafrechtelijk aangehouden. Die avond is hij om 23.00 uur, aansluitend op de strafrechtelijke detentie, vreemdelingrechtelijk overgenomen. Op 14 november heeft om 8.45 uur een gehoor plaatsgevonden in het kader van ophouding en om 10.45 uur een gehoor in het kader van de inbewaringstelling, waarna eiser om 14.55 in bewaring is gesteld. Vervolgens is de bewaring op 14 november 2024 rond 23.00 uur opgeheven omdat er aanwijzingen waren dat eiser een verblijfsrecht had in Italië. Hem is ook een bevel opgelegd om zich naar dat land te begeven.
2.1.
Inmiddels had eiser al beroep ingesteld tegen de maatregel. De gemachtigde van eiser heeft het beroep gehandhaafd omdat hij van mening was dat eiser recht had op een schadevergoeding. Op 25 november 2024 heeft de minister aan de gemachtigde van eiser bericht bereid te zijn de schade van eiser te vergoeden tot een bedrag van € 100,00 (voor één dag in het huis van bewaring) en de proceskosten van de gemachtigde van € 875,00. De rechtbank heeft de gemachtigde gevraagd of dit aanleiding was om het beroep in te trekken. In reactie hierop heeft de gemachtigde bericht dat hij het beroep niet intrekt omdat hij het niet eens is met de hoogte van de aangeboden schadevergoeding. Die moet verdubbeld worden.
Waar gaat deze procedure nog over?
2.2.
De minister heeft met de brief van 25 november 2024 toegezegd een schadevergoeding van € 100,00 te betalen en de proceskosten tot een hoogte van € 875 te vergoeden. Het aanbod van de minister is onvoorwaardelijk zodat eiser de minister aan dit aanbod kan houden. In zoverre heeft eiser dus geen belang meer bij zijn beroep, omdat eiser niet meer kan bereiken dan hij al heeft bereikt. [1]
2.3.
Dit beroep gaat dus alleen nog maar om de vraag of er aanleiding is om een hogere schadevergoeding te betalen. Die aanleiding ziet de rechtbank niet, zodat het beroep ongegrond wordt verklaard.
Is er aanleiding om een hogere schadevergoeding toe te kennen?
3. Eiser betoogt dat hij een Italiaans verblijfsrecht heeft. Hij heeft al in het gehoor in het kader van de ophouding, om 8.45 uur, aangegeven dit met een foto op zijn mobiele telefoon te kunnen aantonen. De minister heeft vervolgens te lang gewacht met het verifiëren hiervan en de maatregel van bewaring opgelegd toen de termijn van de ophouding dreigde te verstrijken. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring hier niet voor bedoeld is en dat de minister, indien hij meende meer tijd nodig te hebben, de ophouding had moeten verlengen. Er is daarom sprake van détournement de procédure. Verder wijst eiser erop dat zijn telefoon in beslag was genomen en op hetzelfde bureau lag als waar hij werd gehoord. Tijdens zijn eerste gehoor had deze telefoon dus al kunnen worden opgehaald en dan was al eerder geconstateerd dat hij niet in bewaring gesteld kon worden. Vanwege dit ernstige feit verzoekt eiser de rechtbank dan ook tot toekenning van een dubbele schadevergoeding.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat de maatregel van bewaring ten onrechte is opgelegd. Dit blijkt uit het feit dat de minister voorafgaand aan de zitting van 26 november 2024 aan eiser schadevergoeding en aan de gemachtigde van eiser proceskostenvergoeding heeft aangeboden. De reeds toegekende schadevergoeding komt overeen met het normbedrag en er bestaat geen aanleiding voor een hogere vergoeding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat een schadevergoeding bedoeld is als vergoeding van, in dit geval immateriële, schade omdat een persoon ten onrechte gedetineerd is geweest. De schadevergoeding is geen straf voor de minister. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij meer dan gebruikelijk heeft geleden. Evenmin is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot een hogere schadevergoeding. Dat de minister eerder had kunnen onderkennen dat eiser, mogelijk, een verblijfsrecht heeft in Italië en dat hij er desnoods voor had kunnen kiezen om de ophouding te verlengen is daarvoor onvoldoende. Verder is de bewaring nog dezelfde dag opgeheven toen duidelijk was dat eiser mogelijk Italiaans verblijfsrecht geniet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond omdat eiser geen recht heeft op een hogere vergoeding dan al was aangeboden. Dit betekent ook dat de minister niet gehouden is om de aanvullende proceskosten te voldoen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1319.