De rechtbank Den Haag behandelde op 17 december 2024 de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde rechtspersoon, een GmbH gevestigd in Duitsland. Het OM stelde dat het voordeel €916.232 bedroeg, gebaseerd op een financieel onderzoek en vermogensvergelijking.
De veroordeelde was eerder veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen, waarbij voertuigen en contante stortingen van €54.000 waren witgewassen. De rechtbank overwoog dat de bedrijfsactiviteiten van de veroordeelde en aanverwante vennootschappen voortkwamen uit misdrijf afkomstig vermogen en dat een onderscheid tussen legale en illegale activiteiten niet mogelijk was vanwege gebrekkige administratie.
Echter, de rechtbank concludeerde dat de administratieve bescheiden onvoldoende betrouwbaar waren om het wederrechtelijk verkregen voordeel nauwkeurig te schatten. Bovendien waren de vermogensbestanddelen die bij de veroordeelde waren aangetroffen reeds verbeurd verklaard en was een geldboete opgelegd. Daarom achtte de rechtbank verdere ontneming niet zinvol en wees de vordering af.
De uitspraak benadrukt dat ontneming slechts kan worden toegewezen indien het voordeel voldoende kan worden vastgesteld en dat reeds getroffen strafrechtelijke maatregelen meewegen in de beoordeling van de noodzaak tot ontneming.