ECLI:NL:RBDHA:2024:21246

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2024
Publicatiedatum
17 december 2024
Zaaknummer
NL24.46954
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2013Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest grondrechten EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-in- behandeling- neming asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Moldavische nationaliteit dragende persoon geboren in 2004, diende een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat dit verzoek had aanvaard.

Eiser voerde aan dat zijn eerdere asielaanvraag in Duitsland was afgewezen en dat hij bij overdracht het risico liep te worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zou nakomen of dat er sprake was van systeemfouten die zouden leiden tot onmenselijke of vernederende behandeling.

De Duitse autoriteiten garanderen volgens de rechtbank dat eiser een individuele beoordeling krijgt en de mogelijkheid om een nieuw asielverzoek in te dienen. De rechtbank zag geen reden om het besluit van de minister te herzien en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46954

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

Bij besluit van 25 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Moldavische nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. [2] Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [3] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser is het met het bestreden besluit niet eens en voert hiertoe het volgende aan. Omdat zijn eerdere asielaanvraag in Duitsland is afgewezen, is de kans groot dat een herhaalde asielaanvraag ook zal worden afgewezen. Bij overdracht aan Duitsland loopt hij daarom het risico te worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Duitsland, dat net als Nederland partij is bij het EVRM [4] en het Handvest [5] , zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. [6] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid. [7]
5. Eiser is hier niet in geslaagd. Eiser heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat hiervan niet kan worden uitgegaan. Met het claimakkoord garanderen de Duitse autoriteiten dat eisers verzoek om internationale bescherming in Duitsland in behandeling wordt genomen of dat eiser de mogelijkheid krijgt om daar een nieuw asielverzoek in te dienen. Er zal een individuele beoordeling plaatsvinden, met inbegrip van het eventuele risico wat eiser loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Aangezien eiser verder niet heeft gesteld of aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een systeemfout in de asielprocedure in Duitsland, is het niet aan deze rechtbank om in het kader van een Dublinoverdracht het risico op refoulement in Duitsland verder te onderzoeken. [8]
6. Verweerder heeft in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser onverplicht aan zich te trekken.
7. Het beroep is kennelijk ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 12 december 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verordening nr. (EU) 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Het handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902.
7.Zoals is beschreven in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
8.Dit volgt onder andere uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934. en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.