Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.1. [eiser 1] e.a., uit [woonplaats 1] ,
2.[eiser 2] e.a., uit [woonplaats 1] ,
[vergunninghoudster]uit [woonplaats 2] (vergunninghoudster).
Rechtbank Den Haag
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Leiden heeft verleend voor de bouw van een dakopbouw op een hoekwoning aan de [adres] te Leiden. De woning maakt deel uit van een woningbouwensemble met uniforme architectuur. De dakopbouw leidt tot een goothoogte van 9,7 meter, wat hoger is dan de maximale goothoogte van 7 meter in het bestemmingsplan.
De rechtbank stelt vast dat het college terecht heeft afgeweken van de maximale goothoogte, maar dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat de dakopbouw niet in strijd is met de minimale afstandseis van 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens zoals voorgeschreven in artikel 16.2.1, aanhef en onder e, sub 3 van de planregels. De dakopbouw ligt dichter dan 3 meter bij de perceelsgrens, terwijl de woning een eindwoning betreft, waardoor deze planregel van toepassing is.
De rechtbank oordeelt dat de dakopbouw onderdeel uitmaakt van het hoofdgebouw en dat de afstandseis daarom moet worden nageleefd. Het college heeft dit niet correct beoordeeld en heeft het besluit onvoldoende gemotiveerd, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen worden gegrond verklaard, het besluit wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eisers. De uitspraak is gedaan door rechter J. Schaaf op 1 november 2024.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning en draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.