Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[minderjarig kind 2] ,V-nummer: [V-nummer 3] , (gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
Rechtbank Den Haag
Eisers, waaronder een moeder en haar minderjarige kinderen, deden beroep tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank oordeelde dat het aanvullende schrijven van de minister met nadere motivering geen nieuw besluit is in de zin van artikel 6:19 Awb Pro, maar slechts een toelichting op het oorspronkelijke besluit. Hoewel het oorspronkelijke besluit een motiveringsgebrek had met betrekking tot de belangen van de kinderen, werd dit door de aanvullende motivering voldoende hersteld en kon eiseres hierop reageren.
Eiseres stelde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met haar persoonlijke omstandigheden en de risico's van eerwraak in Frankrijk. De rechtbank vond echter dat de minister terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiseres onvoldoende concrete en actuele gevaren had onderbouwd. Ook de belangen van de minderjarige kinderen werden niet als bijzondere omstandigheden aangemerkt die een uitzondering op de Dublinverordening rechtvaardigen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef het besluit van de minister in stand. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Kuipers op 25 november 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.