Eiser, van Syrische nationaliteit, vroeg asiel aan in Nederland, maar zijn aanvraag werd door de minister afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Dit artikel sluit bescherming uit indien de aanvrager betrokken is bij ernstige niet-politieke misdrijven. Eiser verklaarde in oktober 2021 in Turkije religieus te zijn getrouwd met een minderjarige echtgenote jonger dan 15 jaar, met wie hij seksuele gemeenschap had gehad. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht van deze verklaringen is uitgegaan, omdat deze consistent zijn en met documenten zijn onderbouwd.
Eiser voerde aan dat het huwelijk geantedateerd was om nareis mogelijk te maken en dat hij geen seksuele gemeenschap had gehad. Hij overhandigde diverse documenten en getuigenverklaringen ter ondersteuning. De rechtbank vond deze stukken onvoldoende overtuigend en deels tegenstrijdig, onder meer omdat de verklaringen niet objectief verifieerbaar waren en de WhatsApp-berichten onvolledig en onduidelijk waren. De minister mocht daarom blijven uitgaan van de oorspronkelijke verklaringen van eiser.
Daarnaast constateerde de rechtbank een formeel gebrek in het besluit omdat het namens de staatssecretaris was genomen terwijl de minister sinds 2 juli 2024 bevoegd is. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat het niet aannemelijk was dat dit invloed had op de inhoud van het besluit en eiser daardoor niet in zijn belangen was geschaad.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de afwijzing van de asielaanvraag in stand. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend vanwege het ontbreken van belangenschade door het formele gebrek. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem.