Eiser betwist de juistheid van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021, waarbij na verrekening van de voorlopige aanslag een bedrag van € 8.815 moet worden betaald. Hij stelt dat het bedrag van € 10.719, vermeld op de voorlopige aanslag, niet overeenkomt met wat hij daadwerkelijk heeft ontvangen, en betwist daarnaast de hoogte van de belastingrente en de opgelegde verzuimboete.
De rechtbank stelt vast dat de aanslag is opgelegd op basis van de door eiser ingediende aangifte en dat de verrekening van de voorlopige aanslag correct is toegepast. De rechtbank is bevoegd om te oordelen over de juistheid van de aanslag, maar niet over de feitelijke invordering of het ontvangen bedrag van de voorlopige aanslag, wat onder de burgerlijke rechter valt.
De belastingrente is berekend conform artikel 30f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, over het juiste tijdvak en bedrag. De verzuimboete is terecht opgelegd omdat eiser de aangifte te laat heeft ingediend, zonder aannemelijk te maken dat sprake is van afwezigheid van alle schuld.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Breij op 22 november 2024.