ECLI:NL:RBDHA:2024:21823
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens internationale bescherming in Luxemburg
Eiser, een Eritrese nationaliteit, diende op 10 oktober 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser sinds 2016 internationale bescherming geniet in Luxemburg. De minister stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat Luxemburg zijn internationale verplichtingen nakomt.
Eiser voerde aan dat hij in Luxemburg geen adequate hulp en huisvesting kreeg, geen werk kon vinden en geen effectieve klachtenprocedure kon doorlopen, waardoor terugkeer tot een situatie van materiële deprivatie zou leiden die strijdig is met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Tevens stelde hij dat hij als bijzonder kwetsbaar persoon moet worden aangemerkt volgens het arrest Ibrahim.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te weerleggen. De minister had voldoende gemotiveerd dat Luxemburg zijn verplichtingen nakomt en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij alles had gedaan om zijn rechten te effectueren of hulp te zoeken bij de Luxemburgse autoriteiten. De situatie in Luxemburg is niet vergelijkbaar met die in Griekenland en eiser is niet als bijzonder kwetsbaar aangemerkt.
Daarom mocht de minister de aanvraag niet-ontvankelijk verklaren en is het beroep ongegrond verklaard. Eiser moet terugkeren naar Luxemburg en krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en eiser moet terugkeren naar Luxemburg.