Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Nigeriaanse staatsburger, vroeg asiel aan in Nederland op grond van zijn vermeende lidmaatschap van de Indigenous People of Biafra (IPOB) en de daaruit voortvloeiende vervolgingsvrees. Hij stelde dat hij in Nigeria was gedetineerd vanwege zijn politieke activiteiten en dat hij na zijn vrijlating via een studievisum naar Oekraïne was vertrokken. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het asielrelaas.
De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de identiteit en nationaliteit van eiser wel geloofwaardig zijn, maar dat zijn beweringen over lidmaatschap van IPOB en de daaruit voortvloeiende vervolgingsgevaar niet aannemelijk zijn. Verweerder heeft de geloofwaardigheidstoets volgens de werkinstructie WI 2024/6 correct toegepast, waarbij eiser onvoldoende objectief bewijs overlegde en zijn verklaringen niet samenhangend en aannemelijk waren.
Eiser voerde aan dat de beoordelingsmethodiek van verweerder niet zorgvuldig was en dat hij wel degelijk bewijs had geleverd. De rechtbank verwierp deze stellingen en stelde vast dat verweerder het voordeel van de twijfel niet hoefde toe te kennen omdat niet aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, Vreemdelingenwet was voldaan.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als lid van IPOB vervolging te vrezen heeft, mede gelet op het feit dat hij legaal Nigeria heeft verlaten en geen asiel in Oekraïne heeft aangevraagd. Ook de gestelde dreiging van derden werd ongeloofwaardig geacht. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, maar verweerder is wel veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardig asielrelaas.