ECLI:NL:RBDHA:2025:22527

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL24.46322
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Algerijnse eiser na deelname aan Hirak-protesten

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 27 november 2025, wordt het beroep van een Algerijnse eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag beoordeeld. De eiser, geboren in 1966, heeft op 14 maart 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Asiel en Migratie op 15 november 2024 als ongegrond is afgewezen. De rechtbank heeft de zaak op 20 januari 2025 behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van de eiser als die van de minister aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag terecht is, omdat de verklaringen van de eiser over zijn deelname aan de Hirak-protesten en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn. De minister heeft aangegeven dat de identiteit en nationaliteit van de eiser geloofwaardig zijn, maar dat de problemen die hij stelt te hebben ondervonden niet onderbouwd zijn met objectieve documenten. De rechtbank concludeert dat er geen gegronde vrees voor vervolging is en dat de minister de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen.

De eiser heeft verzocht om aanhouding van de behandeling in afwachting van prejudiciële vragen, maar de rechtbank oordeelt dat dit verzoek niet nodig is. De rechtbank heeft vastgesteld dat de procedure zorgvuldig is verlopen en dat er geen schending van de goede procesorde heeft plaatsgevonden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. De eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46322

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. D. Gökcan).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1966. Hij heeft op 14 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 november 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in 2019 in Algerije deelgenomen aan de Hirak [1] -protesten. Naar aanleiding hiervan is eiser gevolgd en hebben de Algerijnse autoriteiten personen op eiser afgestuurd. Eiser is in 2020 aangevallen en gestoken. Na deze aanval is eiser gevlucht naar Frankrijk. In Frankrijk hebben twee incidenten plaatsgevonden. Eiser is tegen zijn prothese geschopt en tot twee keer toe is zijn huis overhoop gehaald. Door deze incidenten is eiser teruggekeerd naar Algerije. In Algerije heeft ook een incident plaatsgevonden waarbij hij werd gestoken met een sikkel. Daarnaast werd eiser een keer geblokkeerd op de weg door een auto met vier mannen. Daarop heeft eiser besloten Algerije te verlaten. Volgens eiser houden al deze incidenten verband met zijn deelname aan de Hirak-protesten. Bij terugkeer naar Algerije vreest eiser vermoord te worden door de mensen die door de autoriteiten op hem zijn afgestuurd.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
de deelname van eiser aan de Hirak-protesten en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De deelname van eiser aan de Hirak-protesten en de daaruit voortvloeiende problemen acht de minister ongeloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verder heeft eiser zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. Daarnaast ontbreekt volgens de minister het causale verband tussen de deelname van eiser aan de Hirak-protesten en de gestelde problemen die eiser daarna heeft ondervonden. Tot slot is volgens de minister uit de verklaringen van eiser niet gebleken dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging en daarmee vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook is niet gebleken dat eiser bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade.
Verzoek om aanhouding prejudiciële vragen
6. Eiser verzoekt de rechtbank de behandeling van zijn beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof die door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, [2] zijn gesteld. [3] Eiser betoogt dat de uitkomst van die procedure ook voor hem van belang is.
6.1.
De minister heeft op de zitting toegelicht dat wat hem betreft geen noodzaak bestaat om deze zaak aan te houden. De minister stelt zich in een stuk, dat de minister aanduidt als informatiebericht (verweerschrift), op het standpunt dat de op eiser toegepaste werkinstructie niet wezenlijk verschilt met de vorige werkinstructie [4] en in zijn geval alleen toepassing is gegeven aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Ook verwijst de minister in dat verweerschrift naar rechtbankuitspraken, onder andere van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag [5] en zittingsplaats Middelburg [6] . In deze uitspraken is de werkinstructie niet onjuist of onredelijk geacht.
6.2.
Eiser brengt in zijn reactie op het verweerschrift van de minister het volgende nog naar voren. Allereerst stelt eiser dat het overleggen van vier pagina’s aan verweerschrift een dag voorafgaand aan de zitting in strijd is met de goede procesorde. Ook is het door de rechtbank verlenen van een leespauze van vijf minuten aan gemachtigde voor het lezen van die vier pagina’s in strijd met de goede procesorde. Dat aan de gemachtigde uiteindelijk een nadere termijn is verleend voor een inhoudelijk reactie doet aan het voorgaande niet af. Ook verwijst de minister in zijn verweerschrift naar twee (hiervoor onder 6.1 genoemde) uitspraken die niet gepubliceerd zijn. Gemachtigde kan hiervan geen kennis nemen. Om die reden is ook dat in strijd met de goede procesorde.
Verder betoogt eiser dat de door de minister in zijn verweerschrift gegeven reactie onvoldoende is om de lijn van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, niet te volgen. Ook verwijst eiser naar een artikel in het Tijdschrift voor Asiel en Migratierecht [7] , waarin ook wordt geconcludeerd dat bepaalde delen van de nieuwe beoordelingsproblematiek de toets aan het Unierecht en het internationaal recht waarschijnlijk niet doorstaan. Tot slot wijst eiser erop dat de minister ten onrechte stelt dat zij in stap 2a de landeninformatie bij de beoordeling betrekt. Dat komt niet overeen met de brief van de staatssecretaris van 5 maart 2024. [8]
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van de goede procesorde. Hoewel de minister voorafgaand aan de zitting een verweerschrift heeft ingediend over het aanhoudingsverzoek van eiser, hebben eiser en zijn gemachtigde voldoende tijd gehad om kennis te nemen van het verweerschrift en hierop te reageren. De gemachtigde heeft in de eerste plaats op de zitting een leespauze van tien minuten gekregen om zich in te lezen in plaats van vijf minuten. Nadat gemachtigde op de zitting had aangegeven niet bij het verweerschrift te kunnen, heeft de griffier een kopie van het verweerschrift overgelegd en is wederom een leespauze ingelast. Voor het eindigen van de tweede leespauze heeft gemachtigde aangegeven niet op de zitting hierop te kunnen reageren. Om die reden heeft de rechtbank gemachtigde in de gelegenheid gesteld om na de zitting op de dezelfde dag nog of de volgende dag een reactie op het verweerschrift in te dienen. Gemachtigde heeft één dag na het verstrijken van deze termijn een reactie op het verweerschrift ingediend. Ondanks het laten verstrijken van deze termijn heeft de rechtbank deze reactie meegenomen in de beoordeling. Van het niet tijdig kennis kunnen nemen van het verweerschrift en daarop kunnen reageren, is gezien het voorgaande niet gebleken. Ten aanzien van het betoog van eiser dat hij niet inhoudelijk kan reageren op de door de minister aangehaalde niet gepubliceerde uitspraken is gebleken dat de uitspraken reeds zijn gepubliceerd. Enkel de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, [9] is niet gepubliceerd. Om die reden zal de rechtbank deze uitspraak buiten de beoordeling laten.
6.3.1.
De rechtbank ziet verder in deze zaak geen aanleiding voor het oordeel dat de WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 25 juni 2025 [10] en op 8 september 2025 [11] uitspraak gedaan waarin zij heeft geoordeeld dat het beleid van de minister niet in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. Zoals in de uitspraak van 25 juni 2025 is overwogen, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de voorwaarden genoemd in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn vijf cumulatieve voorwaarden zijn. Dat een vreemdeling moet voldoen aan al die voorwaarden, neemt niet weg dat uit de tekst van de Kwalificatierichtlijn 2011/95 ook volgt dat de minister een asielaanvraag altijd op individuele basis moet beoordelen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en rekening houdend met alle relevante feiten. Daarnaast is in voorgenoemde uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats geoordeeld dat het beleid van de minister niet in strijd is met het Unierecht, omdat de minister ook rekening houdt met de omstandigheid dat een vreemdeling niet altijd in staat is zijn relaas (volledig) met bewijsmateriaal te staven. In die situatie beoordeelt de minister, in lijn met artikel 4, van de Richtlijn 2011/95, of de vreemdeling voldoet aan de in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 opgenomen voorwaarden.
In de uitspraak van 8 september 2025 is overwogen dat indien een vreemdeling één onderdeel van zijn asielrelaas met bewijsmateriaal onderbouwt, dit niet betekent dat daarmee ook andere onderdelen van dat relaas voldoende zijn onderbouwd. Artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn bepaalt dat het asielrelaas van de vreemdeling ondanks het ‘eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen’ geloofwaardig wordt geacht als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Hieruit volgt dat in beginsel voor alle verklaringen bewijsmateriaal kan worden verlangd. Uit WI 2024/6 volgt dat aan de onderbouwing in stap 2a is voldaan als sprake is van voldoende onderbouwing met objectieve bewijsstukken. In dat verband wordt in WI 2024/6 bij wijze van voorbeeld gewezen op objectieve documenten die authentiek zijn en op echtheid kunnen worden gecontroleerd. Daarmee heeft de minister andere bewijsstukken niet uitgesloten. [12] De door zittingsplaats Roermond gestelde prejudiciële vragen maken het voorgaande niet anders. De minister mocht WI 2024/6 dus toepassen.
Heeft het gehoor zorgvuldig plaatsgevonden?
7. Eiser betoogt dat het nader gehoor te lang heeft geduurd – namelijk van 09:30 tot 16:30 uur – waardoor eiser uitgeput raakte. Ook is er tijdens het gehoor gebruik gemaakt van twee verschillende tolken, wat bij eiser veel stress veroorzaakte. Met al deze factoren heeft de minister onvoldoende rekening gehouden.
7.1.
Uit het verslag nader gehoor blijkt dat – anders dan eiser betoogt – het gehoor om 10:00 uur is begonnen en om 15:50 uur is geëindigd. [13] Ook blijkt uit het nader gehoor dat er op verschillende momenten is gepauzeerd. Er is een korte plaspauze ingelast [14] en er is gepauzeerd van 11:53 tot 12:38 uur [15] , van 13:00 tot 13:10 uur [16] en van 14:15 tot 14:49 uur [17] . Van tevoren is eiser gevraagd aan te geven als hij behoefte heeft aan een pauze. Eiser geeft daarbij aan dat hij op zijn gemak is. [18] Ook geeft eiser na de pauze van 12:38 uur en 14:49 uur dat het goed gaat. [19] Verder heeft de hoormedewerker na de pauze van 12:38 uur aangegeven dat de tolk tot 13:00 uur beschikbaar is en daarna een nadere tolk het overneemt. Gemachtigde geeft aan dat dat oké is. Ook is er na de wisseling van de tolk een kleine pauze van tien minuten ingelast. [20] Uit het voorgaande blijkt op geen enkele wijze dat eiser tijdens het nader gehoor uitgeput was of dat hij stress heeft ervaren. Ook heeft eiser geen stukken overgelegd waaruit dat wel blijkt. Om die reden slaagt de beroepsgrond niet.
Is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd?
8. Eiser betoogt dat de afwijzing van zijn asielaanvraag onvoldoende gemotiveerd is. Volgens eiser heeft hij geen onvolledige en tegenstrijdige verklaringen afgelegd. De hoormedewerker gaf aan dat eiser antwoorden gericht op de vragen moest geven. Hierdoor heeft eiser tijdens het nader gehoor kort en bondig antwoord gegeven op de aan hem gestelde vragen. De gegeven antwoorden zijn volgens eiser – in de gegeven context gezien – aannemelijk. Ook wordt in het bestreden besluit volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom hij het causale verband niet aannemelijk zou hebben gemaakt. Volgens eiser wordt er onvoldoende waarde toegekend aan de verklaringen die eiser heeft afgelegd.
Verder heeft eiser aannemelijk verklaringen afgelegd over zijn doorreis naar Frankrijk. Daarbij staat eiser vanwege zijn operatie in 2015 ook nog onder controle in Frankrijk.
Daarnaast heeft de minister bij de beoordeling van de verklaringen van eiser onvoldoende rekening gehouden met zijn stressklachten. Eiser verblijft al één jaar en acht maanden in Nederland in een kleine kamer in afwachting van zijn asielprocedure. Eiser maakt zich voortdurend zorgen om zijn achtergebleven kinderen. Dit drukt een stempel op het gemoed van eiser.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen dat hij heeft deelgenomen aan de Hirak-protesten en als gevolg daarvan problemen heeft gekregen niet onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister terecht beoordeeld of eiser voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. In dit geval heeft de minister dit beoordeeld aan de de hand van onderdeel c en e van dit artikellid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daarbij heeft de minister telkens duidelijk aangegeven waarom bepaalde verklaringen van eiser niet aannemelijk of onvoldoende overtuigend zijn en wat er in dat verband van eiser mocht worden verwacht, en waarom. De rechtbank constateert ook dat eiser slechts een beperkt aantal tegenwerpingen die hem in dit verband worden gedaan, specifiek heeft bestreden. Het betoog van eiser dat hij op verzoek van de hoormedewerker tijdens het nader gehoor kort en bondig antwoord heeft gegeven op de gestelde vragen maakt dit niet anders. Het betoog van eiser dat onvoldoende waarde wordt toegekend aan de verklaringen van eiser die het causale verband tussen zijn deelname aan de protesten en de problemen die eiser daarna heeft ondervonden, volgt de rechtbank gezien het voorgaande niet.
Verder heeft de minister ten aanzien van eiser zijn doorreis in Frankrijk eiser kunnen tegenwerpen dat het niet aannemelijk is dat eiser enerzijds vreest voor de Algerijnse autoriteiten in Frankrijk en anderzijds hij opnieuw naar Frankrijk reist en daar enkele dagen verblijft. De rechtbank ziet niet in waarom het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Ten aanzien van het betoog van eiser dat hij vanwege een operatie in 2015 nog steeds onder controle staat in Frankrijk volgt de rechtbank dit betoog eveneens niet. Eiser heeft op geen enkele wijze onderbouwd of stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2015 in Frankrijk is geopereerd en dat hij tot heden vanwege deze operatie nog onder controle staat.
Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat eiser stressklachten heeft die invloed hadden op zijn verklaringen en dat deze stressklachten tot op heden een stempel drukt op zijn gemoed. Eiser heeft dit tijdens het gehoor op geen enkele wijze benoemd en geeft aan het begin van het nader gehoor aan dat het goed gaat. [21] Als er wordt gevraagd of eiser medische klachten heeft, geeft hij aan dat hij is geopereerd aan zijn been en wat maagklachten heeft. [22] Ook staat er in het rapport van Medifirst dat eiser gehoord kan worden. Als de hoormederwerker vraagt of hij nog verdere medische klachten heeft, geeft eiser aan van niet. [23] Ook als wordt gevraagd of eiser lichamelijk en geestelijk in staat is gehoord te worden, geeft hij aan van wel. [24]
Tussenconclusie
8.2.
De minister heeft zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder c en e, van de Vw 2000. Daarom heeft hij de verklaringen over de deelname aan de Hirak-protesten en de daardoor ondervonden problemen op goede gronden ongeloofwaardig geacht. Deze onderdelen van het asielrelaas zijn daarom bij de beoordeling van eisers vrees voor vervolging of ernstige schade in Algerije terecht buiten beschouwing gelaten.
Vormen de relevante elementen grond om eiser een asielvergunning te verlenen?
9. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet is aangemerkt als vluchteling of als vreemdeling die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Volgens eiser heeft hij gegronde vrees voor vervolging. Dit blijkt mede uit het feit dat er een redelijke kans bestaat dat eiser in de toekomst wordt vervolgd. Daarbij wijst eiser op het feit dat uit het UNHCR handboek [25] blijkt dat het niet alleen gaat om het hebben plaatsgevonden van vervolging, maar ook om de angst om in de toekomst te worden vervolgd. Ook loopt hij bij terugkeer een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Dit blijkt volgens eiser uit hetgeen hij hierover heeft verklaard.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Gezien hetgeen de rechtbank onder 8.1 overweegt, heeft de minister naar oordeel van de rechtbank zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is. Ook heeft de minister terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000. Het betoog van eiser dat er een kans bestaat dat hij een reëel risico loopt in de toekomst wordt vervolgd, maakt dit niet anders. Eiser heeft op geen enkele wijze onderbouwd of stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in de toekomst te vrezen heeft voor vervolging door de Algerijnse autoriteiten. Ook het betoog dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade heeft eiser op geen enkele andere wijze onderbouwd. Het bestreden besluit houdt ook in dat aan eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en geen uitstel van vertrek om medische redenen wordt verleend. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser daar aanspraak op zou maken. Zo volgt uit eisers verklaringen en de overgelegde medische stukken niet dat eiser op dit moment onder behandeling staat voor (ernstige) medische klachten.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De Hirak is een protestbeweging die oproept tot radicale politieke verandering in Algerije.
2.Rb. Den Haag 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en Rb. Den Haag 7 januari 2025,
3.Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar
4.Werkinstructie 2014/10.
5.Rb. Den Haag 29 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23025 en Rb. Den Haag 24 december 2024, NL24.39178 (
6.Rb. Den Haag, zittingsplaats Middelburg, 21 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19331 en Rb. Den Haag, zittingsplaats Middelburg, 19 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21853.
7.Tijdschrift voor Asiel- en Migratierecht, ‘Van 2014/10 naar 2024/06, Analyse van de nieuwe werkinstructie geloofwaardigheidsbeoordeling’,
8.TK 2023 – 2024, 19 637, nr. 3211.
9.Rb. Den Haag 24 december 2024, NL24.39178 (
12.Dat blijkt ook uit voetnoot 15 van WI 2024/6.
13.Zie verslag nader gehoor, p. 2 en p. 27.
14.Zie verslag nader gehoor, p. 10.
15.Zie verslag nader gehoor, p. 14.
16.Zie verslag nader gehoor, p. 17.
17.Zie verslag nader gehoor, p. 23.
18.Zie verslag nader gehoor, p. 3.
19.Zie verslag nader gehoor, p. 14 en 23
20.Zie verslag nader gehoor, p. 14 en 17.
21.Zie verslag nader gehoor, p. 2.
22.Zie verslag nader gehoor, p. 3.
23.Zie verslag nader gehoor, p. 3.
24.Zie verslag nader gehoor, p. 3.
25.Eiser verwijst naar paragraaf 45 van het UNHCR handboek.