De rechtbank Den Haag heeft op 5 december 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van poging doodslag en poging zware mishandeling met een schep op het achterhoofd van het slachtoffer. De rechtbank sprak verdachte vrij van poging doodslag omdat niet kon worden vastgesteld dat er sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.
Wel werd bewezen verklaard dat verdachte met het handvat van een schep het slachtoffer heeft geslagen, hetgeen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich bracht. De rechtbank oordeelde dat de klap een slagaderlijke bloeding veroorzaakte die medische behandeling vereiste, en veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 200 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk onder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank verwierp het verweer van putatief noodweer en psychische overmacht omdat verdachte geen concrete bedreiging kon aangeven en het handelen voortkwam uit frustratie en woede. Verdachte had geen strafblad en toonde tijdens het proces vooruitgang in psychosociaal functioneren.
Daarnaast werd een schadevergoeding van €1.413,40 toegewezen aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, met wettelijke rente vanaf 1 januari 2024. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven omdat verdachte de straf grotendeels in voorarrest had uitgezeten.