De voorzieningenrechter heeft op 24 december 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeksters een voorlopige voorziening vroegen tegen de ontheffing verleend door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland. Deze ontheffing maakt het mogelijk om jaarrond vaste voortplantingsplaatsen van de vos te vernielen en vossen te vangen en doden in het havengebied van Rotterdam, met als doel de bescherming van de populaties zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw en het voorkomen van graafschade.
Het college heeft de ontheffing verleend op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb), waarbij is vastgesteld dat er geen andere bevredigende oplossing is dan het vernielen van voortplantingsplaatsen en het doden van vossen. Verzoeksters stelden onder meer dat er alternatieven zijn, zoals het plaatsen van rasters, en dat het populatiebeheer van konijnen mede de achteruitgang van meeuwen veroorzaakt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de ontheffing noodzakelijk is voor de bescherming van de meeuwenpopulaties, die sinds 2016 met de helft zijn afgenomen door predatie van vossen. Ook is voldoende onderbouwd dat vossen graafschade veroorzaken aan kwetsbare infrastructuur. De voorzieningenrechter achtte het belang van bescherming van de meeuwen zwaarder dan het belang van bescherming van de vos, die in een gunstige staat van instandhouding verkeert.
Hoewel de Richtsnoeren van de Europese Commissie over strikte bescherming van diersoorten relevant zijn voor de uitleg van 'andere bevredigende oplossing', is in deze voorlopige voorzieningprocedure geen definitief oordeel gegeven over de vraag of eerst alle mogelijke rasters moeten worden geplaatst. De voorzieningenrechter zag geen aanleiding om het besluit te schorsen, zodat gebruik mag worden gemaakt van de ontheffing.