ECLI:NL:RBDHA:2024:21958
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening toegewezen als kennelijk ongegrond
Eiser, met Ethiopische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Roemenië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser stelde dat de minister onzorgvuldig had gehandeld door tijdens het aanmeldgehoor onjuiste informatie te verstrekken over de verantwoordelijke lidstaat en dat bijzondere omstandigheden een overdracht aan Roemenië van bijzondere hardheid zouden maken. De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had gehad om zijn bezwaren schriftelijk en via beroep kenbaar te maken en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is, waardoor de minister mocht uitgaan van de naleving door Roemenië van zijn verplichtingen.
De rechtbank stelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat overdracht aan Roemenië een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro inhoudt. Ook was geen sprake van onevenredige hardheid in de zin van artikel 17 Dublinverordening Pro. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.