ECLI:NL:RBDHA:2024:2240

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2024
Publicatiedatum
22 februari 2024
Zaaknummer
NL23.25667 en NL23.25668
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbRichtlijn (EG) 2001/55Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/381
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot proceskostenvergoeding na beëindiging tijdelijke bescherming afgewezen en toegewezen

De zaak betreft een beroep en een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om het recht van verzoeker op tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening, maar trok deze later in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris op 2 september 2023 een voorlopige maatregel heeft getroffen door de gevolgen van het besluit tot beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming te bevriezen voor alle vergelijkbare vreemdelingen. Hierdoor is het verzoek om voorlopige voorziening feitelijk ingewilligd.

De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van proceskosten in het beroep af omdat de staatssecretaris het besluit heeft gehandhaafd en niet aan het beroep is tegemoetgekomen. Wel wordt de proceskostenvergoeding voor het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening vastgesteld op € 875,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. R.J.A. Schaaf en griffier mr. A.C. Kampschuur op 19 februari 2024 in Utrecht. Partijen zijn niet uitgenodigd voor een zitting omdat dit niet nodig werd geacht.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding in beroep afgewezen, verzoek om vergoeding proceskosten voorlopige voorziening toegewezen tot € 875,-

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.25667 (beroep) en NL23.25668 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker], verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Procesverloop

In het besluit heeft de staatssecretaris bepaald dat het recht van verzoeker op tijdelijke bescherming in de zin van Richtlijn (EG) 2001/55 en Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/381 van 4 maart 2022 eindigde op 4 september 2023.
Verzoeker heeft op 31 augustus 2023 beroep ingesteld tegen dit besluit (het bestreden besluit). Tevens heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoeker heeft op 29 september 2023 zijn beroep en verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en vraagt om een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten.
De staatssecretaris heeft laten weten geen reden te zien om de proceskosten te vergoeden in onderhavige procedures.

Overwegingen

De rechtbank en voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) nodigen partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank de staatssecretaris bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Voor zover verzoeker heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten in beroep, omdat de staatssecretaris hem tegemoet zou zijn gekomen, wijst de rechtbank dat verzoek af. De staatssecretaris is immers niet tegemoetgekomen aan het beroep en heeft het
bestreden besluit gehandhaafd.
4. De rechtbank ziet wel aanleiding om over te gaan tot een vergoeding van de proceskosten die verzoeker heeft moeten maken voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening. Volgens vaste jurisprudentie2 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het primaire besluit voorlopig opschort, dan wel anderszins de voorlopige maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. De staatssecretaris heeft op
2 september 2023 besloten de gevolgen van de besluiten tot beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming te bevriezen voor alle vreemdelingen die in een vergelijkbare situatie verkeren. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee de voorlopige maatregel getroffen waar ook in het verzoek om is gevraagd.
5. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de zaak NL23.25667 af; De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de zaak NL23.25668 toe;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Kampschuur, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 februari 2024

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
1. Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).