ECLI:NL:RBDHA:2024:22457

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 december 2024
Publicatiedatum
8 januari 2025
Zaaknummer
NL24.24501;24.24545;24.24547
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding bij samenhangende beroepen wegens niet-tijdige beslissing vreemdelingenzaken

Verzoekers, bestaande uit een moeder en haar twee kinderen, dienden beroepen in tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaarschriften tegen besluiten van de minister van Asiel en Migratie. De minister nam uiteindelijk alsnog een inwilligend besluit voor de moeder en wees de bezwaarschriften van de kinderen af. Hierop trokken verzoekers hun beroepen in, met het verzoek om proceskostenvergoeding.

De minister bood aan de proceskosten gezamenlijk te vergoeden tot €437,50, maar verzoekers stelden dat de zaken niet als samenhangend mochten worden beschouwd omdat er aparte beroepschriften waren ingediend en werkzaamheden per zaak waren verricht. De rechtbank oordeelde echter dat de zaken wel samenhangend zijn, omdat het gaat om een homogene groep met vrijwel gelijke inhoudelijke beroepschriften en dezelfde gemachtigde.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe, met een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak en beperkte belangen. De vergoeding werd vastgesteld op €437,50, het bedrag dat voor één zaak toegekend zou worden, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Skerka op 20 december 2024.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €437,50 aan proceskosten wegens samenhangende beroepen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.24051; NL24.24545; NL24.24547
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoekster], met V-nummer: [V-nummer 1] ;
[verzoeker 1], met V-nummer: [V-nummer 2] ;
[verzoeker 2], met V-nummer: [V-nummer 3] .
Hierna gezamenlijk: verzoekers (gemachtigde: mr. Y. Mateo Diaz)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder

Procesverloop

Verzoekers hebben de beroepen ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op de bezwaarschriften van verzoekers.
Bij beschikking van 2 augustus 2024 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvraag van [verzoekster] . Bij beschikking van 2 augustus 2024 heeft verweerder de bezwaarschriften van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] kennelijk ongegrond verklaard.
Naar aanleiding hiervan hebben verzoekers de beroepen ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft aangegeven de proceskosten te willen vergoeden tot een bedrag van € 437,50 voor verzoekers gezamenlijk.
Verzoekers zijn het niet eens met de door verweerder voorgestelde vergoeding, omdat de gemachtigde werkzaamheden heeft moeten verrichten in de afzonderlijke zaken en zij de zaken derhalve niet als samenhangende zaken1 beschouwen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de
1. Zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoetgekomen aan de beroepen van verzoekers door alsnog een besluit op hun bezwaar bekend te maken.
4. Verweerder heeft bij brief van 3 september 2024 gereageerd op de verzoeken om proceskostenveroordelingen. Naar de mening van verweerder is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van Pro het Bpb.
5. Op 26 september 2024 heeft de gemachtigde van verzoekers op voormelde brief gereageerd. De gemachtigde voert aan dat de drie zaken door verweerder steeds als afzonderlijke zaken zijn behandeld, ondanks dat het gaat om een homogene groep. Hoewel er gelijktijdig beroep is ingediend, heeft de gemachtigde voor ieder van de drie zaken aparte beroepschriften opgesteld.
6. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Bpb. Het gaat immers om beroepen van een homogene groep: verzoekers zijn moeder en haar kinderen die vrijwel gelijktijdig hun beroepen niet-tijdig hebben ingediend, waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken vrijwel gelijk zijn. Voor wat betreft de stelling dat er aparte beroepschriften niet-tijdig zijn ingediend, overweegt de rechtbank dat de inhoud daarvan nagenoeg gelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit dan ook geen grond om de zaken niet als samenhangend te beschouwen.
7. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). Vanwege de samenhang van de zaken blijft de hoogte van de proceskostenveroordeling beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend (artikel 3 van Pro het Bpb).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van
€ 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van M.M. Mulder, griffier.
20 december 2024
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.