ECLI:NL:RBDHA:2024:22515

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2024
Publicatiedatum
9 januari 2025
Zaaknummer
NL24.16312
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VreemdelingenwetArt. 4:5 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen buiten behandelingstelling aanvraag uitstel van vertrek

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend om uitstel van vertrek te verkrijgen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet. De minister stelde deze aanvraag buiten behandeling omdat deze onvolledig was, ondanks dat verzoeker meerdere malen in de gelegenheid werd gesteld om aanvullende gegevens te verstrekken. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang, omdat er geen concreet zicht was op uitzetting en de enkele verplichting om Nederland te verlaten geen spoedeisend belang oplevert. Ook de opgelegde meldplicht veranderde hier niets aan.

Daarnaast was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. De verwijzing naar de Vreemdelingencirculaire was terecht en verzoeker had niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens aangeleverd. Daarom bleef het besluit stand houden. Gezien deze overwegingen wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de buiten behandelingstelling van de aanvraag uitstel van vertrek wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16312
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en
de Minister van Asiel en Migratie1, de minister
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen de buiten behandelingstelling van de aanvraag van verzoeker om hem op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw) uitstel van vertrek te verlenen.
2. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 11 april 2024 (het bestreden besluit) met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling genomen omdat de aanvraag onvolledig was. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en om een voorlopige voorziening verzocht.
3. Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. De minister heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister. Verzoeker zelf heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
6. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een spoedeisend belang voor verzoeker. Weliswaar vloeit uit het bestreden besluit voort dat verzoeker de behandeling van zijn bezwaar niet in Nederland mag afwachten, maar dit
1. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
levert geen concrete aanwijzing op dat op korte termijn een uitzetting zal plaatsvinden. De vertrekplicht voor verzoeker geldt al sinds 7 juli 2020 en verzoeker verblijft nog steeds in Nederland. Uit navraag bij de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) is gebleken dat geen concrete plannen voor uitzetting van verzoeker bestaan.
7. De voorzieningenrechter volgt de minister in dit standpunt. Gelet op vaste jurisprudentie van de (voorzieningenrechter van de) Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt geen spoedeisend belang aangenomen wanneer er geen concreet zicht op uitzetting is.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat hier aan de orde. De enkele plicht om Nederland te verlaten, levert geen spoedeisend belang op in de zin van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De omstandigheid dat aan verzoeker, naar hij stelt, inmiddels een meldplicht is opgelegd, maakt dit niet anders.
8. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan zij de voorziening alleen nog treffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van de minister niet correct is en in de bezwaarfase dus geen stand zal houden. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of de wettelijke bepalingen voor de zaak.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en uit wat op de zitting is besproken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal houden. De minister heeft niet ten onrechte verwezen naar de Vreemdelingencirculaire (Vc)3 waarin opgenomen is welke bewijsmiddelen meegezonden moeten worden wanneer een aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw wordt gedaan. Omdat verzoeker zijn aanvraag niet compleet had ingediend, is hij bij brieven van 14 maart 2024 en 26 maart 2024 in de gelegenheid gesteld om alsnog de gevraagde gegevens op te sturen, zodat door de minister een medisch advies bij het Bureau Medische Advisering (BMA) zou kunnen worden gevraagd. Verzoeker heeft hier niet (binnen de gestelde termijn) aan voldaan, zoals hij ook op de zitting heeft erkend, waarna de aanvraag buiten behandeling is gesteld. Dat dit evident onrechtmatig zou zijn, is de voorzieningenrechter niet gebleken.
10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2 Bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2021:2109.
3 Onderdeel A3/7.2.4 en 7.2.5 van de Vc.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 oktober 2024

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.