ECLI:NL:RBDHA:2024:22687

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2024
Publicatiedatum
16 januari 2025
Zaaknummer
C/09/657687 / FA RK 23-8772
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:253a BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging omgangsrecht vader met minderjarige wegens schadelijke omgangsrelatie

De moeder verzocht de rechtbank om de vader het recht op omgang met hun minderjarige kind te ontzeggen op grond van artikel 1:377a lid 3 jo. artikel 1:253a lid 2 BW. De vader voerde verweer, maar de rechtbank stelde vast dat sinds een incident in februari 2024 geen omgang meer heeft plaatsgevonden en dat beide ouders geen pogingen hebben gedaan om de omgang te hervatten.

De omgang was in het verleden vaker gestopt en weer gestart, wat volgens de rechtbank en de Raad voor de Kinderbescherming zeer schadelijk is voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind. Pogingen om een alternatieve invulling van de omgang te vinden mislukten doordat de ouders elkaar veel verwijten maken en niet in staat zijn om afspraken te maken.

De rechtbank oordeelde dat de omgang weliswaar belangrijk is voor de identiteitsontwikkeling van het kind, maar dat een nieuwe faalervaring schadelijker zou zijn. Daarom werd het verzoek van de moeder toegewezen en het omgangsrecht van de vader ontzegd, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De rechtbank sprak de hoop uit dat de ouders in de toekomst wel afspraken kunnen maken in het belang van het kind.

Uitkomst: De vader wordt het recht op omgang met zijn minderjarige kind ontzegd wegens ernstige nadelige gevolgen voor het kind.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-8772
Zaaknummer: C/09/657687
Datum beschikking: 19 december 2024

Omgang

Beschikking op het op 23 november 2023 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T.Y. Tsang te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.N. Baldew te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • het verzoekschrift;
  • het gewijzigd verzoekschrift;
  • de e-mail van 6 november 2024 namens de vader.
Op 28 november 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat en tolk A. Solomon, de vader met zijn advocaat en tolk B. Ogbanichael, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

  • De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
  • [de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats 1] .
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.
  • Bij beschikking van 26 april 2023 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn om het weekend van zaterdag 12.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vader haalt en brengt, en dat de ouders de schoolvakanties in onderling overleg dienen te verdelen.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt – na wijziging – om de vader het contact met [de minderjarige] te ontzeggen op grond van artikel 1:377a lid 3 jo. artikel 1:253a lid 2 BW, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft op de zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Lid 3 van dit artikel bepaalt (voor zover hier van belang) dat omgang slechts wordt ontzegd indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. In februari 2024 heeft er een incident plaatsgevonden toen [de minderjarige] bij de vader was, waar beide ouders een andere visie op hebben. Sindsdien is er geen omgang meer geweest tussen [de minderjarige] en de vader. Zowel de moeder als de vader hebben, vanwege eigen redenen, geen pogingen gedaan om de omgang weer te hervatten. Gebleken is dat de omgang tussen [de minderjarige] en de vader in het verleden vaker is gestopt en weer gestart. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat dit zeer schadelijk is voor [de minderjarige] en haar ontwikkeling. De rechtbank heeft op de zitting onderzocht of er mogelijkheden zijn om een andere invulling aan de omgang te geven, maar er is geen enkele basis bij de ouders gebleken om de omgang weer op te starten, zelfs niet voor een aantal uren per twee weken. De ouders maken elkaar over en weer heel veel verwijten en lijken niet in staat om als volwassenen en ouders in het belang van [de minderjarige] afspraken te kunnen maken over omgang met de vader. Die omgang is wel heel belangrijk voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] . Zoals de Raad op de zitting heeft aangegeven is een nieuwe faalervaring met de omgang met de vader echter nog schadelijker voor [de minderjarige] . De rechtbank ziet daarom op dit moment geen andere mogelijkheid dan om, in het belang van [de minderjarige] , het verzoek van de moeder toe te wijzen en de vader de omgang met [de minderjarige] te ontzeggen. De rechtbank hoopt dat de ouders in de toekomst wel in staat zijn om met elkaar afspraken te maken over de omgang en zich daar ook aan te houden.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 26 april 2023 van deze rechtbank – :
ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige [de minderjarige] , geboren op
[geboortedag] 2019 in [geboorteplaats 2];
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 december 2024.