De zaak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn asielaanvraag. Eerder had de rechtbank een termijn van acht weken gesteld waarbinnen verweerder opnieuw moest beslissen, maar deze termijn is verstreken zonder besluit.
De rechtbank overweegt dat in dit geval geen ingebrekestelling vereist is vanwege de uitdrukkelijke termijn in de eerdere uitspraak. Omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist, is het beroep gegrond. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van zes weken op, korter dan het gebruikelijke 8+8 wekenmodel, gezien het belang van een snelle en zorgvuldige besluitvorming.
Daarnaast wordt verweerder verplicht een dwangsom van € 200 per dag te betalen bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000, conform de toepasselijke artikelen uit de Awb en de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens tot betaling van proceskosten aan eiser.