ECLI:NL:RBDHA:2024:22822

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2024
Publicatiedatum
24 januari 2025
Zaaknummer
NL24.49883
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag heeft op 24 december 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd aan een vreemdeling. De maatregel was op 19 juli 2024 opgelegd en de rechtbank toetste of deze maatregel sinds het sluiten van het onderzoek op 30 oktober 2024 nog rechtmatig was.

Eiser voerde aan dat het zicht op uitzetting ontbrak omdat hij niet bekend zou zijn bij de Marokkaanse autoriteiten en dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de aanvraag van een laissez-passer. De rechtbank oordeelde dat het zicht op uitzetting niet ontbrak, verwijzend naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en eerdere uitspraken van de rechtbank zelf.

Ook werd geoordeeld dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, onder meer omdat maandelijks vertrekgesprekken werden gevoerd en de minister bleef rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank zag geen aanleiding om de maatregel van bewaring op te heffen of te wijzigen.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.49883

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Inleiding

1. De minister heeft op 19 juli 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De rechtbank heeft de maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 2 augustus 2024. [1] Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 23 oktober 2024. [2] Op het tweede vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 1 november 2024. [3]
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 20 december 2024 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [4]
5. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 1 november 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. [5] Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 30 oktober 2024) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
6. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser is namelijk niet bekend in Marokko omdat hij nooit over een Marokkaans identiteitsdocument heeft beschikt en ook nooit zijn vingerafdrukken daar heeft afgegeven. Eiser is daarom in geen enkel bestand opgenomen. Hierbij moet rekening gehouden worden met het gegeven dat eiser al 23 jaar in Nederland verblijft.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 november 2022 volgt dat zicht op uitzetting ten aanzien van Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [6] Het is niet gebleken dat dit anders is voor eiser. Zoals in de uitspraak van deze rechtbank van 1 november 2024 [7] is geoordeeld, wordt niet gevolgd dat eisers identiteit niet bekend is of kan zijn bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan is gedaan in het vorige vervolgberoep.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De laissez-passer (lp) aanvraag dateert namelijk van 26 juli 2024 en ondanks het rappelleren is er nog geen reactie gekomen. Het had daarom op de weg van de minister gelegen om op individueel niveau de zaak onder de aandacht te brengen van de Marokkaanse autoriteiten. Hierbij moet rekening gehouden worden met het gegeven dat de inbewaringstelling al vijf maanden voortduurt en hij zich nooit heeft onttrokken aan de terugkeergesprekken.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de voortgangsrapportage (M120) volgt dat de minister maandelijks een vertrekgesprek met eiser voert. Het laatste vertrekgesprek is gevoerd op 19 december 2024. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een vertrekgesprek is aan te merken als een handeling van directe betekenis voor de overdracht. [8] Door eiser zijn in het vertrekgesprek geen omstandigheden aangevoerd naar aanleiding waarvan de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. Ook blijft de minister rappelleren op de lp-aanvraag. Voor het laatst is op 5 december 2024 gerappelleerd op de aanvraag aan de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank ziet vooralsnog geen aanleiding om te oordelen dat de minister meer handelingen zou moeten verrichten. Dat eiser ruim vijf maanden in bewaring zit en zich niet onttrekt aan de vertrekgesprekken, doet niet af aan het voortvarend handelen van de minister. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 2 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12352.
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 23 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17562.
3.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 1 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18049.
4.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
5.Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 2 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12352.
6.ABRvS, 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS, 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.
7.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 1 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18049.
8.ABRvS 5 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3486 en ABRvS 4 mei 2018, ECLI.NL:RVS:2018:1505.
9.Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.