ECLI:NL:RBDHA:2024:12352

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 augustus 2024
Publicatiedatum
7 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.29072
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:22 AwbVerordening (EU) nr. 910/2014 (eIDAS-verordening)
Verwijzingen
8 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit en maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 juli 2024 aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor twee jaar opgelegd, evenals een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten en verzocht tevens om schadevergoeding.

Eiser voerde aan dat de besluiten onbevoegd waren genomen omdat zij waren ondertekend door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in plaats van de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank oordeelde dat dit een formeel gebrek betrof dat kon worden gepasseerd omdat de minister de besluiten voor zijn rekening nam en de besluiten door een gemandateerde ambtenaar waren ondertekend. Daarnaast stelde eiser dat de elektronische handtekening niet voldeed aan de eisen van de eIDAS-verordening. De rechtbank stelde vast dat de handtekeningen wel rechtsgeldig waren en dat eiser niet zelf het tijdstip van ondertekening hoefde te kunnen controleren.

De rechtbank vond geen aanleiding om de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring te betwijfelen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen de gestelde termijnen.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29072

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2024 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen deze (bestreden) besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Zijn de bestreden besluiten onbevoegd genomen?
1. Eiser betoogt dat de bestreden besluiten onbevoegd zijn genomen, omdat deze zijn ondertekend door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en niet door de minister van Asiel en Migratie.
1.1
De beroepsgrond slaagt niet. Met ingang van 2 juli 2024 is de bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht gewijzigd van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de minister. De rechtbank stelt vast dat in zowel het besluit inhoudende het terugkeerbesluit en inreisverbod als de maatregel van bewaring van 19 juli 2024 staat vermeld dat deze genomen zijn namens de staatssecretaris. Dit is een gebrek. De (gemachtigde van de) minister heeft echter op zitting te kennen gegeven dat de minister de bestreden besluiten voor zijn rekening neemt. Daarom kan dit gebrek worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. [1] Niet in geschil is namelijk dat het besluit inhoudende het terugkeerbesluit en inreisverbod en de maatregel van bewaring zijn genomen en ondertekend door een ambtenaar die daartoe op grond van mandaat bevoegd was. Niet gebleken is dat eiser door de onjuiste ondertekening in zijn belangen is geschaad. Tot slot was het voor eiser duidelijk, althans had het voor eiser duidelijk moeten zijn, dat de bestreden besluiten namens de bevoegde autoriteit waren genomen.
Is de elektronische handtekening in de bestreden besluiten rechtsgeldig?
2. Eiser stelt dat de elektronische handtekening in de bestreden besluiten niet voldoet aan de eisen voor een gekwalificeerde elektronische handtekening, zoals die zijn neergelegd in de eIDAS-verordening [2] . Het is voor eiser namelijk niet mogelijk om zelf te controleren dat de handtekening voldoet aan de vereisten die in deze verordening zijn neergelegd. Zo kan eiser het tijdstip waarop is ondertekend niet afleiden uit de handtekening.
2.1
De beroepsgrond slaagt niet. De elektronische handtekeningen in zowel het besluit inhoudende het terugkeerbesluit en inreisverbod als de maatregel van bewaring van 19 juli 2024 voldoen aan de eisen voor een gekwalificeerde elektronische handtekening, zoals die zijn neergelegd in de eIDAS-verordening. De rechtbank heeft deze elektronische handtekeningen geverifieerd en daarbij vastgesteld dat deze het tijdstip van de handtekening bevatten en dat de bestreden besluiten rechtsgeldig zijn ondertekend voordat zij aan eiser werden uitgereikt. Van belang is dat de handtekening rechtsgeldig is gezet. Het is echter niet noodzakelijk dat zoals door eiser is gesteld, hij dat zelf ook moet kunnen controleren.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die gaat over het bestreden besluit 1 kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die gaat over het bestreden besluit 2 kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk ABRvS 13 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588.
2.Verordening (EU) nr. 910/2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.