ECLI:NL:RBDHA:2024:22824
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2024 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren, maar de gemachtigde van de minister wel.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat eiser nog steeds procesbelang heeft, ondanks zijn vertrek met onbekende bestemming en het intrekken van de voorlopige voorziening. De rechtbank toetst vervolgens de gronden van het beroep, waaronder de stelling van eiser dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië niet langer geldt vanwege vermeende tekortkomingen in de asielprocedure en pushbacks.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. De verklaringen van eiser over zijn behandeling in Kroatië betreffen niet de situatie als Dublinclaimant en er is geen bewijs dat klagen in Kroatië onmogelijk is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.