Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 30 september 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 28 oktober 2024 af wegens kennelijke ongegrondheid. Eiser voerde aan dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid bij terugkeer in Algerije problemen met zijn familie verwacht, maar verweerder achtte zijn verklaringen hierover onvoldoende geloofwaardig.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 10 december 2024. Eiser stelde dat het besluit vernietigd moest worden omdat het niet was ondertekend en verweerder onvoldoende rekening hield met zijn referentiekader bij de beoordeling van zijn homoseksualiteit. De rechtbank oordeelde echter dat ondertekening in deze procedure niet verplicht is en dat het ontbreken daarvan geen gebrek oplevert.
De rechtbank vond dat verweerder terecht twijfelde aan de geloofwaardigheid van eisers homoseksuele geaardheid, mede vanwege tegenstrijdige antwoorden over zijn seksuele voorkeur, het ontbreken van gedetailleerde informatie over zijn relaties en het beperkte inzicht in zijn ontdekking van zijn geaardheid. Ondanks het referentiekader van eiser mocht van hem verwacht worden dat hij meer eenduidige en gedetailleerde verklaringen gaf.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. Tegen de uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.