ECLI:NL:RBDHA:2024:22934
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding en vestigingsrisico
Eiser, een Pakistaanse staatsburger, vroeg op 14 oktober 2022 een visum kort verblijf aan om een referent te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende aantoonbaar verblijfsdoel en redelijke twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Pakistan.
Eiser stelde bezwaar en voerde aan dat hij voldoende sociale en economische binding met Pakistan heeft, onder meer doordat hij voor zijn zusje zorgt en een winkel exploiteert. Verweerder handhaafde het besluit en verklaarde het bezwaar kennelijk ongegrond.
Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen en het bestreden besluit. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat inmiddels een besluit was genomen, maar veroordeelde verweerder wel in de proceskosten. Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan heeft, waardoor een vestigingsrisico bestaat. De stukken over de zorg voor zijn zusje en inkomsten uit zijn winkel waren onvoldoende onderbouwd. Verweerder hoefde eiser niet te horen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Een bestuurlijke dwangsom werd afgewezen omdat de aanvraag kennelijk ongegrond was.
De rechtbank wees het beroep af en veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 437,50.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.