ECLI:NL:RBDHA:2024:23000

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2024
Publicatiedatum
6 februari 2025
Zaaknummer
NL24.12003
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 lid 6 Vw 2000Art. 28 Vw 2000Art. 30 Vw 2000Art. 6:2 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediende ingebrekestelling asielaanvraag Dublinprocedure

Eiser diende op 3 oktober 2022 een asielaanvraag in. Op 1 maart 2024 stelde eiser de minister in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag en stelde vervolgens beroep in op 19 maart 2024. De minister verweerde zich en voegde relevante stukken toe.

De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn pas begon te lopen vanaf 27 april 2023, nadat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië was komen te vervallen. De termijn om te beslissen werd vervolgens met negen maanden verlengd op grond van een beleidsbesluit, waardoor de uiterste beslisdatum op 27 juli 2024 viel.

Omdat de ingebrekestelling op 1 maart 2024 werd ingediend, vóór het verstrijken van de beslistermijn, was deze prematuur en daarmee niet geldig. De rechtbank concludeerde dat niet voldaan was aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid van het beroep wegens niet tijdig beslissen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12003

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P.A. Blaas),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Procesverloop

Eiser heeft op 3 oktober 2022 een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Bij brief van 1 maart 2024 heeft eiser de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Eiser heeft vervolgens op 19 maart 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De minister heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan het dossier toegevoegd en heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, nu partijen, desgevraagd, niet hebben aangegeven gebruik te willen maken van hun recht ter zitting te worden gehoord.
De rechtbank heeft op 6 december 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.
2. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3. Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan de bestuursrechter het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.
Beoordeling
4. Verweerder heeft in verband met de asielaanvraag van eiser van 3 oktober 2022 op 10 november 2022 een claim aan Italië verstuurd in het kader van de Dublinverordening (Verordening EU nr. 2013/604). De Italiaanse autoriteiten hebben hierop niet tijdig gereageerd, waardoor sinds 12 januari 2023 Italië op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk was te houden voor de asielaanvraag van eiser. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 18 april 2023 de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30 van Pro de Vw 2000 niet in behandeling genomen en heeft verweerder een overdrachtsbesluit aan Italië opgelegd.
5. In artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 is – kort gezegd – bepaald dat de beslistermijn zoals bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 start op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:838, r.o. 2.4.
6. Het verantwoordelijk worden voor de asielaanvraag is in ieder geval aangebroken wanneer de in de Dublinverordening neergelegde uiterste overdrachtstermijn (van in beginsel zes maanden) is verstreken. Dat moment kan zich echter ook eerder voordoen, bijvoorbeeld als verweerder zelf eerder besluit om de asielaanvraag aan zich te trekken of als door feiten en omstandigheden blijkt dat de verantwoordelijkheid vanaf een bepaald moment aan Nederland behoort of zal gaan behoren.
7. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1654 en ECLI:NL:RVS:2023:1655, geoordeeld dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft verder geoordeeld dat, alhoewel de Italiaanse autoriteiten voornemens zijn om de overdrachten zoals bedoeld in de Dublinverordening op enig moment weer te hervatten, het op dit moment niet mogelijk is om vast te stellen wanneer het gebrek aan opvangfaciliteiten zal zijn opgelost en de overdrachten aan Italië weer kunnen worden hervat. Deze uitspraken betekenen naar het oordeel van de rechtbank dat het vanaf 26 april 2023 voor verweerder duidelijk was of had moeten zijn dat een overdracht van eiser aan Italië niet mogelijk was. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beslistermijn in dit geval is gaan lopen vanaf 27 april 2023 (een dag na de uitspraken van de Afdeling), omdat verweerder toen verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag. Dat verweerder het overdrachtsbesluit zelf (pas) op 8 mei 2023 heeft ingetrokken, maakt dit niet anders.
8. Op grond van artikel 42, zesde lid, in verbinding met het eerste lid, van de Vw 2000 dient de minister in beginsel binnen zes maanden na het verantwoordelijk worden te beslissen. De beslistermijn, die is aangevangen op 27 april 2023, zou daarmee in beginsel op 27 oktober 2023 verstrijken. De minister heeft echter door middel van WBV 2023/3 [1] de beslistermijn van asielaanvragen die zijn ingediend tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024 met negen maanden verlengd op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De aanvraag van eiser valt, gelet op de datum waarop Nederland verantwoordelijk is geworden voor deze aanvraag (namelijk op 27 april 2023), onder WBV 2023/3. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft deze verlenging eerder rechtmatig bevonden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 oktober 2024 in de zaak NL23.39304). De termijn om te beslissen op de asielaanvraag van eiser was met deze verlenging op 27 juli 2024 geëindigd. Eiser heeft de minister echter al op 1 maart 2024 in gebreke gesteld, dus vóór het verstrijken van de beslistermijn. De (absolute) bovengrens van 21 maanden, die volgt uit de Procedurerichtlijn, om op de asielaanvraag te beslissen, gerekend vanaf de datum van de daadwerkelijke asielaanvraag (3 oktober 2022) – vergelijk de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 6 december 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:19148), welke lijn gevolgd wordt door zittingsplaats ’s-Hertogenbosch – was op het moment van de indiening van de ingebrekestelling óók nog niet verstreken. De ingebrekestelling is daarom niet geldig, omdat deze te vroeg is ingediend.
9. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep wegens niet tijdig beslissen, zoals opgenomen in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van ‘t Klooster, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 december 2024
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Stct. 2023, nr. 3235.