ECLI:NL:RBDHA:2024:2303
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 29 september 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag, omdat eiser eerder in Duitsland een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Op grond van de Dublinverordening en de Vreemdelingenwet 2000 nam de Staatssecretaris de aanvraag niet in behandeling.
Eiser voerde aan dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie met zijn in Nederland verblijvende broer, en dat verweerder ten onrechte geen rekening hield met de asielprocedure van zijn broer. Tevens stelde hij dat bijzondere omstandigheden volgens artikel 17 van Pro de Dublinverordening een inhoudelijke behandeling in Nederland rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij medisch afhankelijk is van zijn broer, zoals vereist voor toepassing van artikel 16 van Pro de Dublinverordening. Ook was geen reden om stukken uit het dossier van de broer te betrekken. Ten aanzien van artikel 17 concludeerde Pro de rechtbank dat de relatie tussen eiser en zijn broer geen bijzondere, individuele omstandigheden oplevert die een uitzondering rechtvaardigen. De Dublinverordening voorziet reeds in mogelijkheden voor gezinshereniging, en eiser kon niet aantonen dat hij zonder zijn broer niet zelfstandig kan functioneren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter F.A. Groeneveld op 7 februari 2024 te Rotterdam.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag blijft in behandeling bij Duitsland.