Eisers hebben op 2 december 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke termijn besloten, ondanks een verlenging van negen maanden onder de WBV 2022/224. Eisers stelden verweerder op 6 maart 2024 in gebreke en hebben daarna beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet binnen de verlengde termijn heeft beslist. Er is geen zitting gehouden omdat dat niet nodig werd geacht. De rechtbank legt een beslistermijn op van zestien weken, waarbij verweerder binnen acht weken na verzending van het vonnis een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Verder bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 7.500,-. Ook wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers van € 437,50 vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde. De uitspraak is openbaar en op 2 juli 2024 bekendgemaakt.