ECLI:NL:RBDHA:2024:23052
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot proceskostenvergoeding na overschrijding beslistermijn visum kort verblijf
Verzoeker is op 1 februari 2024 in beroep gegaan tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum kort verblijf. Nadat verweerder op 5 maart 2024 heeft aangegeven geen bezwaar meer te maken tegen afgifte van het visum, heeft verzoeker het beroep ingetrokken en proceskostenvergoeding gevorderd.
De rechtbank heeft geen zitting gehouden omdat dat niet nodig was. Verweerder heeft geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek tot vergoeding van proceskosten. De rechtbank oordeelt dat verweerder de proceskosten moet vergoeden omdat de beslissing pas na het instellen van beroep is genomen.
De proceskosten worden vastgesteld op € 437,50, een vast bedrag volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de beperkte omvang van de zaak. Daarnaast moet verweerder het griffierecht van € 187,- vergoeden aan verzoeker.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten aan verzoeker en wijst erop dat tegen deze uitspraak binnen zes weken verzetschrift kan worden ingediend.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht van € 187,- aan verzoeker.