ECLI:NL:RBDHA:2024:23095

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2024
Publicatiedatum
13 februari 2025
Zaaknummer
NL24.48725
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 96 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting

De minister heeft op 1 oktober 2024 aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de zaak op schriftelijke stukken beoordeeld.

Eiser stelde dat er geen redelijk zicht is op uitzetting naar Algerije en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank oordeelde dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor bewaring volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De minister handelt bovendien voortvarend, onder meer door het aanvragen van een vlucht zodra de uitspraak over de asielaanvraag bekend is.

Verder voerde eiser aan dat een lichter middel passend zou zijn vanwege zijn suïcidale toestand in detentie, maar de rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak waarin dit niet werd gegrond verklaard. Ook stelde eiser dat na negen maanden bewaring een nieuwe belangenafweging had moeten plaatsvinden, maar de rechtbank vond geen wettelijke verplichting daartoe en geen bijzondere omstandigheden die het voortduren disproportioneel maken.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48725
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),

en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: H. Toonders).

Procesverloop

De minister heeft op 1 oktober 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit heeft en is geboren op [1991] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 november 2024 (in de zaak NL24.44500) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de
rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Zicht op uitzetting
1. Eiser voert aan dat er binnen afzienbare tijd geen zicht op uitzetting naar Algerije is en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt.
2. De rechtbank overweegt dat eisers beroep op het ontbreken van een redelijk zicht op uitzetting niet slaagt. Eiser heeft asiel aangevraagd en is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vw. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraken van 26 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:271, en 12 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3139, volgt dat voor een bewaring op grond van dit artikel het zicht op uitzetting geen voorwaarde is. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarendheid

3. Eiser voert aan dat de minister niet voortvarend heeft gehandeld.
4. De minister heeft geen handelingen verricht gericht op de uitzetting van eiser. Op 10 december 2024 is er zitting gehouden in de beroeps- en verzoeksprocedure naar aanleiding van het asielbesluit. In het verweerschrift heeft de minister toegelicht dat zodra de uitspraak over eisers asielaanvraag is ontvangen, er opnieuw een vlucht voor eiser zal worden aangevraagd. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt.

Lichter middel

5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat eiser het zwaar heeft in detentie. Eiser is onder andere suïcidaal.
6. Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 21 november 2024 (in de zaak NL24.44500), overweging 8. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Belangenafweging

7. Eiser voert vervolgens aan dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt na negen maanden aaneengesloten bewaring en dat de belangenafweging in eisers voordeel moet uitvallen.
8. De minister heeft een verzwaarde belangenafweging gemaakt. Voor zover eiser dat heeft bedoeld, is er geen regel die inhoudt dat er opnieuw een verzwaarde belangenafweging na negen maanden moet volgen. Over wat eiser verder in het kader van de belangenafweging aanvoert, ziet de rechtbank geen feiten of omstandigheden die, gelet de duur van deze bewaring, de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de voortduring van de maatregel thans disproportioneel moet worden geacht. De beroepsgrond slaagt evenmin.
Ambtshalve toetsing
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
N.J.R. Kalaykhan, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 december 2024

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.