Eiser heeft op 9 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder moest binnen zes maanden beslissen, met een verlenging van negen maanden op grond van WBV 2023/3. Eiser stelde verweerder op 12 september 2024 in gebreke vanwege het uitblijven van een besluit en diende daarna beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank legt een termijn van zestien weken op waarbinnen verweerder eerst een nader gehoor moet afnemen binnen acht weken en vervolgens binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast wordt verweerder een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. Eiser krijgt ook een proceskostenvergoeding van €437,50 toegekend vanwege de inschakeling van juridische hulp. De rechtbank wijst op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.