Eiser heeft op 12 september 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden, verlengd met negen maanden onder de WBV 2022/22, op de aanvraag beslist. Eiser stelde verweerder op 6 juni 2024 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank overweegt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet binnen de gestelde beslistermijn heeft gehandeld. De rechtbank legt een nadere termijn van acht weken op waarbinnen verweerder alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €7.500.
Daarnaast krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €437,50 toegekend wegens het inschakelen van professionele juridische hulp. De rechtbank wijst erop dat partijen niet worden uitgenodigd voor een zitting omdat dit in deze zaak niet noodzakelijk is.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige maar ook snelle besluitvorming en verwijst naar relevante wetsartikelen en eerdere jurisprudentie. Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt verplicht binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.