Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
De bevoegde nationale autoriteiten moeten in staat zijn om terugkeerbesluiten ten uitvoer te leggen zonder de procedure na een bepaalde periode (bijvoorbeeld één jaar) opnieuw te moeten inleiden,[…]. Als algemene regel geldt dat de plaats van aanhouding het relevante criterium is bij het bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de terugkeerprocedure. Voorbeeld: als een irreguliere migrant de EU (onopgemerkt) is binnengekomen via lidstaat A, vervolgens (onopgemerkt) door de lidstaten B en C is gereisd en tot slot is aangehouden in lidstaat D, dan is lidstaat D verantwoordelijk voor de uitvoering van een terugkeerprocedure.”
Een lidstaat kan geen terugkeerbesluit en een bijbehorend inreisverbod uitvaardigen tegen personen die niet op zijn grondgebied verblijven. In een situatie waarin een persoon is ondergedoken (bijvoorbeeld na ontvangst van een negatieve beslissing over een asielverzoek) maar nog steeds kan worden verondersteld dat hij zich op het grondgebied van de betrokken lidstaat bevindt, kan in een verstekprocedure volgens nationaal recht een terugkeerbesluit (inclusief een inreisverbod) worden uitgevaardigd.”
nadat de onderdaan van een derde land zijn grondgebied heeft verlaten’. De rechtbank voelt zich hierin gesteund door rechtsoverweging 50 in de Conclusie van de A-G in de zaak Gnandi [10] . De A-G overweegt – voor zover relevant – als volgt: “
Volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115 – waarvan de tekst is weergegeven in punt 9 van de onderhavige conclusie – is voor de uitvaardiging van een terugkeerbesluit tegen de onderdaan van een derde land vereist dat laatstgenoemde „illegaal [...] verblijft” op het grondgebied van de betrokken lidstaat.”
de vaststelling dat een vreemdeling niet (langer) rechtmatig in Nederland verblijft.”Deze bewoordingen duiden er naar het oordeel van de rechtbank op dat ook de minister meent dat illegaal verblijf op het grondgebied van Nederland – en niet op het grondgebied van een EU-lidstaat – vereist is op het moment dat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd.
Mocht er nog nadere informatie nodig zijn, dan hoort gemachtigde dat graag.” De rechtbank overweegt dat het, gelet op hetgeen onder 6.2.10 is overwogen, op de weg van de minister lag om op dit aanbod aan te slaan en contact met de gemachtigde van eiser op te nemen om hem te bevragen over eiser en zijn verblijfplaats. De minister heeft dit niet gedaan. De minister kon in het bestreden besluit dan ook niet volstaan met de constatering dat zij niet kan vaststellen dat eiser zich op dat moment niet in Nederland bevond. Des te meer nu de stelling van eiser in lijn was met de constatering van de minister zelf dat eiser per 14 maart 2024 met onbekende bestemming was vertrokken. Nu de minister geen nadere actie heeft ondernomen zoals het stellen van vragen aan eiser of het verzoek tot het overleggen van documenten waaruit zou blijken dat eiser Nederland daadwerkelijk had verlaten, is zij tekortgeschoten in de vereiste zorgvuldige voorbereiding van het terugkeerbesluit. Gelet op al het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat het terugkeerbesluit (en daarmee ook het inreisverbod) onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd tot stand is gekomenen en daarmee in strijd is met artikel 3:2 en Pro artikel 3:46 van Pro de Awb.
Conclusie en gevolgen
€ 1750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.