ECLI:NL:RVS:2013:BZ2342
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling duur en behandeling inreisverbod vreemdeling volgens Vreemdelingenwet 2000
In deze zaak oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het hoger beroep van een vreemdeling tegen een inreisverbod dat door de staatssecretaris is opgelegd. De vreemdeling betwistte de rechtmatigheid van het inreisverbod en de wijze waarop het beroepschrift tegen dit besluit werd behandeld.
De Afdeling bevestigt dat het inreisverbod conform artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000 pas aanvangt wanneer de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie en gelijkgestelde landen heeft verlaten. Dit volgt uit de Europese karakteristiek van het inreisverbod en de implementatie van de Terugkeerrichtlijn. Daarnaast vernietigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank die het beroepschrift tegen het inreisverbod ten onrechte aan de minister had doorgezonden in plaats van aan de Afdeling.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris het inreisverbod terecht heeft uitgevaardigd omdat de vreemdeling niet binnen de gestelde termijn Nederland heeft verlaten. De door de vreemdeling aangevoerde humanitaire omstandigheden en disproportionaliteit worden niet voldoende geacht om af te zien van het inreisverbod. Ook is geen motiveringsgebrek vastgesteld ten aanzien van de duur van het inreisverbod. Het hoger beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt de toepassing van Europese regelgeving in het Nederlandse vreemdelingenrecht en benadrukt de beoordelingsvrijheid van de staatssecretaris bij het opleggen van inreisverboden.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en de duur van het inreisverbod begint pas na daadwerkelijk vertrek uit het EU-grondgebied.