Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd digitaal ingediend op 10 juli 2023, waarna verweerder de beslistermijn met negen maanden verlengde onder toepassing van WBV 2023/3. Eiser stelde verweerder op 12 oktober 2024 in gebreke, maar diende het beroep pas na meer dan twee weken in, waardoor de rechtbank het beroep kennelijk gegrond verklaart.
De rechtbank legt verweerder een termijn van zestien weken op om alsnog een besluit te nemen, verdeeld in twee periodes van acht weken: eerst voor het afnemen van een nader gehoor en daarna voor het bekendmaken van het besluit. Tevens wordt verweerder een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. De rechtbank wijst erop dat sinds 11 juli 2021 de mogelijkheid tot het opleggen van een dwangsom in asielzaken was beperkt, maar dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State deze beperking onverenigbaar heeft verklaard.
Verder krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €437,50 toegekend, omdat hij een professionele juridische hulpverlener inschakelde en de zaak enkel ging over de overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en bepaalt dat verweerder binnen de gestelde termijn alsnog moet beslissen. Partijen werden niet uitgenodigd voor een zitting, aangezien dit niet noodzakelijk werd geacht.