Eiseres werkte als verzorgende IG en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten waaronder CVS en fibromyalgie. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering weigerde het UWV deze omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage volgens verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen minder dan 35% bedroeg.
Eiseres voerde aan dat haar beperkingen, met name handklachten en psychische klachten, onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank stelde vast dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de rapporten van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen begrijpelijk en consistent waren.
De rechtbank oordeelde dat de klachten van eiseres niet objectief waren vastgesteld en dat de psychische beperkingen passend waren beoordeeld op de peildatum 19 oktober 2022. De functies die eiseres zou kunnen vervullen passen binnen haar belastbaarheid. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard.