ECLI:NL:RBDHA:2024:2536
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en werd nu opnieuw beoordeeld op rechtmatigheid sinds het sluiten van het onderzoek op 9 januari 2024.
Eiser stelde dat de bewaring langer dan zes weken duurde, wat volgens artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening niet is toegestaan. De rechtbank overwoog dat deze termijn alleen strikt geldt indien de betrokkene al in bewaring is bij het tot stand komen van het claimakkoord of het verlies van opschortende werking van het beroep. Dit was niet het geval bij eiser, waardoor de termijn wordt bepaald door de redelijke duur van de administratieve procedures.
De rechtbank constateerde dat eiser circa zeven en een halve week in bewaring was, met een geplande overdracht op 9 februari 2024, die werd verhinderd door een ordemaatregel van de Afdeling bestuursrechtspraak. De staatssecretaris handelde voldoende voortvarend door deze overdracht te plannen. De rechtbank vond geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.