Eiser heeft een herzieningsverzoek ingediend tegen het invorderingsbesluit van het CAK waarbij een bedrag van €7.554,90 werd geïnd over de periode 1 mei 2013 tot 1 januari 2017. Hij vorderde terugbetaling van €1.500,- die hij in 2018 aan een deurwaarder had voldaan. Het CAK wees dit verzoek af omdat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die herziening rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek om herziening terecht is afgewezen. Eiser kon het e-mailbericht van 30 juni 2015, waarin zijn zorgverzekeraar akkoord ging met betalingsregeling, reeds bij het eerdere besluit aanvoeren. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden. Ook het betoog dat het invorderingsbesluit onmiskenbaar onjuist is, faalt wegens gebrek aan bewijs.
Daarnaast behandelde de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De procedure duurde langer dan de toegestane termijn van twee jaar, waarbij de overschrijding deels aan het CAK en deels aan de rechtbank kan worden toegerekend. De rechtbank veroordeelt het CAK tot betaling van €750,- en de Staat tot €1.250,- aan immateriële schadevergoeding. Tevens worden beide partijen veroordeeld tot betaling van proceskosten voor het schadevergoedingsverzoek.
Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, het herzieningsverzoek blijft afgewezen en de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend.