ECLI:NL:RBDHA:2024:2634

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2024
Publicatiedatum
1 maart 2024
Zaaknummer
NL24.2204
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-inhoudelijke behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres, een Syrische asielzoekster, diende op 11 augustus 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, aangezien eiseres eerder op 22 juli 2023 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Kroatië accepteerde het terugnameverzoek van Nederland.

Eiseres voerde aan dat zij afhankelijk is van haar vader en broer die in Nederland verblijven en deed een beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening om de overdracht aan Kroatië te voorkomen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Kroatië haar niet adequaat zou behandelen.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat eiseres niet afhankelijk is van haar familie en niet bij hen wenst te wonen, en dat de familie geen verzoek tot hereniging had ingediend. Dit maakt dat de aanwezigheid van familie in Nederland geen bijzondere individuele omstandigheid vormt die overdracht aan Kroatië zou verhinderen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2204

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 22 februari 2024 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben. Eiseres heeft op 11 augustus 2023 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Volgens verweerder zijn de autoriteiten van Kroatië verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag, omdat eiseres op 22 juli 2023 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op 18 september 2023 een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. [2] Op 2 oktober 2023 hebben de autoriteiten van Kroatië dit verzoek geaccepteerd.
3. Eiseres voert aan dat zij graag bij haar vader en broer in Nederland wil verblijven. Eiseres stelt van hen afhankelijk te zijn. Ter onderbouwing van de familieband legt zij een kopie van het paspoort van haar broer, de pas van het COA [3] van haar vader en de UNWRA [4] -registratie van haar familie over. Eiseres doet een beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder mag in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië en dat het zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dat in haar geval niet zo is. Eiseres is daarin niet geslaagd.
5. Bij uitspraak van 13 september 2023 [5] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat het overdragen van vreemdelingen aan Kroatië weer mogelijk is. [6] De Kroatische autoriteiten hebben namelijk bevestigd dat asielzoekers die worden overgedragen op grond van de Dublinverordening adequaat worden behandeld. Eiseres heeft niet onderbouwd dat dit in haar geval anders is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om in deze zaak af te wijken van het oordeel van de Afdeling.
6. Verder heeft verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiseres aan zich te trekken. Weliswaar heeft eiseres in beroep documenten overgelegd om de gezinsband met haar vader en broer te onderbouwen, maar dat laat onverlet dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiseres heeft verklaard dat zij niet afhankelijk is van hen en niet bij hen wenst te wonen. Eiseres heeft bovendien ter zitting verklaard dat zij al tien jaar gescheiden van hen leeft. Tot slot wijst verweerder er terecht op dat de vader en broer van eiseres geen verklaring hebben overgelegd waarin zij te kennen hebben gegeven met eiseres te willen worden herenigd. Verweerder heeft derhalve voldoende gemotiveerd dat de omstandigheid dat er familie in Nederland verblijft geen bijzondere individuele omstandigheid is die maakt dat de overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt.
7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde
publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Centraal Orgaan Asielzoekers.
4.United Nations Relief and Works Agency.
6.Bevestigd bij uitspraak van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:288