Eiser had een asielaanvraag ingediend die door de staatssecretaris niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag. De rechtbank oordeelt dat op grond van de Dublinverordening en het arrest H. en R. van het Hof van Justitie de situatie onder artikel 20, vijfde lid, valt, waardoor eiser in Nederland een beroep kan doen op hoofdstuk III van de Dublinverordening.
De rechtbank stelt vast dat uit Eurodac blijkt dat eiser eerst in Italië geregistreerd stond en daarna in Duitsland, maar dat Nederland verantwoordelijk is omdat de staatssecretaris niet tijdig een verzoek tot overname bij Italië heeft ingediend. Daarmee is het terugnameverzoek aan Duitsland niet geldig.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 22 december 2023, draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak en veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van proceskosten aan eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard.