ECLI:NL:RBDHA:2024:2670
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beëindigingsbesluiten tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn 2001/55/EG
Eiser, een Soedanese onderdaan, heeft een verblijfsrecht op grond van tijdelijke bescherming volgens Richtlijn 2001/55/EG gekregen. De staatssecretaris beëindigde dit verblijfsrecht met besluiten van 1 september 2023 en 29 januari 2024, waarbij laatstgenoemd besluit het eerdere introk. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris niet duidelijk heeft gemotiveerd op welke grond het verblijfsrecht is verleend en onterecht heeft aangenomen dat eiser tot de facultatieve groep behoort waarvan het verblijfsrecht per 4 maart 2024 eindigt.
De rechtbank stelt vast dat eiser een duurzame relatie met een Oekraïense partner heeft en dat het verblijfsrecht waarschijnlijk op die grond is toegekend. De staatssecretaris heeft dit niet voldoende onderzocht of gemotiveerd. De enkele stelling dat het verblijfsrecht ten onrechte is verleend is onvoldoende. Daarom vernietigt de rechtbank beide besluiten en bepaalt dat het verblijfsrecht van eiser niet eindigt per 4 maart 2024.
Daarnaast krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €1.750,-. De uitspraak is gedaan door rechter N.M. van Waterschoot en griffier M.C. Drenten-Boon op 1 maart 2024 te Groningen.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beëindigingsbesluiten van het verblijfsrecht en bepaalt dat het verblijfsrecht van eiser niet eindigt per 4 maart 2024.