ECLI:NL:RBDHA:2024:2689
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake uitstel van vertrek en rechtmatig verblijf vreemdeling
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 27 november 2023, waarin haar verzoek om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000 is afgewezen. De voorzieningenrechter heeft op 23 februari 2024 de zitting gehouden en beoordeeld of sprake is van spoedeisend belang en materiële connexiteit.
De staatssecretaris stelde dat geen spoedeisend belang bestond omdat geen concreet voornemen tot uitzetting op korte termijn was en dat de medische situatie van verzoekster onvoldoende aanleiding gaf tot opvang. De voorzieningenrechter oordeelde dat het beëindigen van de opvang door het COa op 23 februari 2024 wel degelijk spoedeisend belang oplevert en dat materiële connexiteit aanwezig is.
Het centrale geschil betrof de vraag of verzoekster rechtmatig verblijf heeft omdat zij behandeld moet worden alsof haar uitstel van vertrek is verleend. De medische situatie van verzoekster, waaronder suikerziekte en andere aandoeningen, werd beoordeeld aan de hand van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA). Dit advies stelde dat noodzakelijke medische zorg in Uganda beschikbaar is en dat verzoekster aannemelijk moet maken dat deze zorg voor haar niet toegankelijk is.
Verzoekster voerde aan dat zij geen financiële middelen heeft, geen sociaal vangnet in Uganda en dat de ziekenhuizen feitelijk onbereikbaar zijn. De staatssecretaris betwistte dit en stelde dat verzoekster onvoldoende onderbouwing gaf van haar financiële situatie en de toegankelijkheid van zorg. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medicatie niet beschikbaar of toegankelijk is en dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en was er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van ontoegankelijkheid van noodzakelijke medische zorg.