ECLI:NL:RBDHA:2024:2746
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen hoogte definitieve vergoeding Tozo-kosten 2020 ongegrond verklaard
Het college van burgemeester en wethouders van Katwijk voerde beroep aan tegen het besluit van de minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen over de hoogte van de definitieve vergoeding voor de Tozo-kosten in 2020. De minister had de vergoeding vastgesteld op €3.468.564,-, waarbij een correctie van €279.876,- niet werd meegenomen omdat deze na de wettelijke deadline van 30 september 2021 was ingediend.
De rechtbank stelde vast dat het college de SiSa-verantwoordingsinformatie niet tijdig en correct had aangeleverd en dat de minister terecht geen coulance toepaste. De rechtbank oordeelde dat de gecorrigeerde gegevens niet gelijkgesteld konden worden aan gegevens die op verzoek van de minister waren verstrekt, omdat de correctie op initiatief van het college was gedaan.
Verder verwierp de rechtbank het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De wettelijke termijn voor aanlevering van verantwoordingsinformatie is hard en noodzakelijk voor ordentelijke en tijdige vaststelling van vergoedingen. De rechtbank vond dat het ontbreken van een hardheidsclausule in de Tozo-regeling niet onredelijk was en dat de financiële nadelen voor het college onvoldoende waren om het besluit buiten toepassing te laten.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat het college geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep van het college tegen de hoogte van de definitieve Tozo-vergoeding 2020 wordt ongegrond verklaard.