ECLI:NL:RBDHA:2024:2786
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit en beëindiging tijdelijke bescherming derdelanders uit Oekraïne
Verzoeker, een derdelander met de Marokkaanse nationaliteit die in Oekraïne verbleef en na het uitbreken van de oorlog naar Nederland vluchtte, kreeg tijdelijke bescherming op grond van de Europese Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De staatssecretaris stelde zijn asielaanvraag buiten behandeling en stuurde hem een brief waarin werd meegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt, waarna hij niet meer mag werken zonder tewerkstellingsvergunning en na 1 april 2024 geen recht meer heeft op gemeentelijke opvang.
Verzoeker stelde beroep in tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat hij tijdens de beroepsprocedure in Nederland mocht blijven werken en opvang kon behouden. De voorzieningenrechter oordeelde dat het terugkeerbesluit en de beëindiging van de rechten voortvloeien uit een onherroepelijke uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelde dat de tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het belang van verzoeker om te mogen blijven werken is urgent, maar wordt niet toegekend omdat de kans van slagen van het bezwaar gering is. Het belang van de staatssecretaris om de beëindiging van de tijdelijke bescherming te effectueren weegt zwaarder. Het verzoek wordt daarom afgewezen zonder zitting, en verzoeker kan zich bij latere urgentie opnieuw wenden tot de voorzieningenrechter.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor de tijdelijke bescherming, het werkrecht en de opvang per 4 maart respectievelijk 1 april 2024 worden beëindigd.