ECLI:NL:RBDHA:2024:2794

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
SGR 23/1316
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 22 Wet WOZArt. 40 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde woning gemeente Rijswijk

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning in de gemeente Rijswijk, vastgesteld op €221.000 op de waardepeildatum 1 januari 2021. Hij stelde een lagere waarde van €209.000 en voerde aan dat de heffingsambtenaar de toezendplicht uit artikel 40, tweede lid, Wet WOZ had geschonden door onvoldoende gegevens te verstrekken over de objectonderdelen.

De rechtbank overwoog dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede door het gebruik van vergelijkingsobjecten binnen hetzelfde complex. De door belanghebbende aangedragen alternatieve objecten waren minder geschikt vanwege staat, oppervlak en ligging. De rechtbank volgde belanghebbende niet in zijn stelling dat andere vergelijkingsobjecten gebruikt hadden moeten worden.

Ten aanzien van de toezendplicht oordeelde de rechtbank dat de gegevens over objectonderdelen niet onder deze plicht vallen en dat het ontbreken daarvan geen schending opleverde. Ook de klacht over het te laat ontvangen verweerschrift faalde, omdat dit tijdig digitaal was verstrekt. Een verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/1316

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende(gemachtigde: G. Gieben),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rijswijk, heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de heffingsambtenaar van 6 januari 2023 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2022 is vastgesteld op € 221.000 (de beschikking).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2024.
Namens belanghebbende is verschenen [naam 1] , kantoorgenoot van de gemachtigde. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 209.000. Voort is in geschil of de heffingsambtenaar de toezendplicht van artikel 40, tweede lid van de wet WOZ (de toezendplicht) heeft geschonden.
2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd met betrekking tot de woning zelf, dan wel over de in de matrix betrokken vergelijkingsobjecten, te weten portiekwoningen in hetzelfde complex als de woning. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de heffingsambtenaar andere vergelijkingsobjecten had moeten hanteren. De door belanghebbende aangedragen objecten zijn vanwege de gedateerde staat ( [adres 2] ), dan wel het feit dat zij beschikken een groter oppervlak en verder weg zijn gelegen van de woning ( [adres 3] respectievelijk [huisnummer] ) minder geschikt ter onderbouwing dan de vergelijkingsobjecten die door de heffingsambtenaar zijn aangevoerd, waardoor de heffingsambtenaar aan deze objecten voorbij mocht gaan.
Toezendplicht
4. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de gestelde schending van de toezendplicht enkel nog betrekking heeft op de waarde van de objectonderdelen. Volgens belanghebbende heeft de heffingsambtenaar in de bezwaarfase ten onrechte geen gegevens over de objectonderdelen van de woning verstrekt en hij verzoekt in dit kader om een proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat deze gegevens zijn vermeld op het taxatieverslag dat per e-mail aan belanghebbende is verzonden. Belanghebbende betwist dat deze gegevens in het taxatieverslag stonden. Omdat de heffingsambtenaar de bijlage van de e-mail niet bij de stukken heeft gevoegd, zal de rechtbank ervan uitgaan dat de gegevens van de objectonderdelen niet aan belanghebbende verstrekt zijn. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde dit echter ook niet, omdat deze gegevens niet onder de toezendplicht vallen. Waarderen is geen exacte wetenschap en het beoordelen van de juistheid van de waarde gaat niet over de vraag of de samenstellende onderdelen van het object op de juiste bedragen zijn vastgesteld. [1] De toezendplicht is aldus niet geschonden.
Overig
5. Ter zitting heeft belanghebbende verder aangevoerd dat hij het verweerschrift niet, dan wel te laat heeft ontvangen en verzoekt ook in dit kader om een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Uit de administratie van de rechtbank blijkt echter dat dit verweerschrift meer dan tien dagen voor de zitting digitaal aan belanghebbende is verstrekt. Reeds daarom faalt deze grond. De jurisprudentie waar belanghebbende zich op beroept (ECLI:NL:GHSHE:2020:1739) betreft een andere situatie.
6. De indiening van het bezwaarschrift heeft minder dan twee jaar geleden plaatsgevonden. Voor een immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is dan ook geen aanleiding.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers rechter, in aanwezigheid van S. Liesveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via
www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 19 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:886.